Gratis verzending vanaf 30 euro
Binnen 2 werkdagen in huis
Digitaal te lezen in de app
40.000+ leerlingen gingen je voor

Het Keynesiaanse model

[INTRODUCTIE]

Wat is de opvatting van de klassieke economie?

De opvatting van de klassieke economie houdt in dat het individuele belang voor welvaart zou zorgen in de gehele samenleving. De nadruk werd hierbij gelegd op het marktmechanisme, waarbij vraag en aanbod ervoor zorgen dat er een prijs tot stand komt. Adam Smith wordt gezien als de grondlegger van deze klassieke theorie.

Hieronder zie je enkele standpunten die passen bij de opvatting van de klassieke economie:

  • Hoe hoger de productiecapaciteit, hoe hoger het nationaal inkomen (Y).
  • De productiecapaciteit = de daadwerkelijke productie.
  • Bij werkloosheid moeten de lonen dalen. Het aanbod van arbeid is dan immers hoger dan de vraag naar arbeid, waardoor de prijs (lonen) moet dalen.
  • Lonen zijn kosten.

Op basis van deze aannames zal het verlagen van kosten (bijv. lonen) zorgen voor een betere concurrentiepositie, want:

  1. Lagere kosten zorgen ervoor dat bedrijven dezelfde winstmarge kunnen behouden, terwijl ze hun verkoopprijzen kunnen verlagen.
  2. De lagere verkoopprijzen zorgen weer voor meer afzet, want er is meer vraag bij een lagere prijs.
  3. Hierdoor stijgt de productie, en daarmee de welvaart, van het bedrijf.
  4. Dit zorgt voor meer arbeid, waardoor de vraag naar arbeid stijgt, en er minder werkloosheid is.

De klassieke theorie zegt dus eigenlijk dat er geen of slechts kortdurende werkloosheid zal zijn, omdat het prijsmechanisme de verstoringen weer in evenwicht brengt. Daarnaast kan er worden geïnvesteerd nadat er gespaard is.

Volgens deze theorie heeft het geen zin voor de overheid om in te grijpen, omdat het economische systeem zichzelf weer naar de optimale situatie brengt waarin er geen werkloosheid zal zijn. 

Wat is het Keynesiaanse model?

De opvatting van de Britse econoom Keynes stond tegenover de klassieke opvatting. In de jaren 30 ontstond er een namelijk een grote crisis, ook wel de ‘Grote Depressie’ genoemd. Keynes vond de klassieke theorie ongeschikt om een crisis tegen te gaan. Hij publiceerde als reactie een boek waarin hij uitlegde dat de marktwerking alleen niet genoeg is om de economie weer in balans te brengen. In economische slechte tijden gaan consumenten meer sparen en minder consumeren, waardoor de productie daalt, het nationaal inkomen daalt en de werkloosheid stijgt. Hij legde uit dat de overheid moet ingrijpen om de economie weer te herstellen. Door deze Grote Depressie bleek namelijk ook dat de markten er zelf niet in slaagden de economie en de enorme werkloosheid weer te herstellen. Hij vond dat je lonen niet moest zien als kostenpost voor bedrijven (zoals de klassieke theorie), maar als inkomen voor werknemers. Hij beargumenteerde dat dalende lonen niet leiden tot dalende werkloosheid, maar juist tot een stijgende werkloosheid. Hij vond namelijk dat lonen de koopkracht beïnvloeden. Als de lonen namelijk verhoogd zouden worden, zou de koopkracht omhooggaan omdat de werknemers meer geld te besteden hebben. Hierdoor zou de effectieve vraag (EV) stijgen, de afzet en productie stijgen, en daarmee ook de vraag naar arbeid stijgen. Dit zou de werkloosheid weer laten dalen. In zijn theorie lag de nadruk dus op de vraagkant van de economie. In plaats van de productiecapaciteit is het juist de effectieve vraag die op korte termijn bepaalt hoeveel er geproduceerd en verdiend wordt.

Volgens hem konden de lonen naar beneden gebracht worden door het ingrijpen van de overheid. De overheidsbestedingen moeten namelijk omhoog en de belastingen omlaag, om zo de lonen te verhogen. Het overheidssaldo, belastingen min overheidsbestedingen, zal hierdoor negatief worden. In een laagconjunctuur moet de overheid de bestedingen verhogen en de belastingen verlagen zodat consumenten meer gaan consumeren. In een hoogconjunctuur betekent dit juist het tegenovergestelde, een positief overheidssaldo. De overheidsbestedingen moeten omlaag en de belastingen omhoog. Het gaat in een hoogconjunctuur namelijk goed met de economie en de economie moet de schulden afbetalen van de vorige laagconjunctuur. Daarnaast kan de overheid een buffer opbouwen omdat ze in de volgende laagconjunctuur weer de bestedingen moeten verhogen. We noemen dit ook wel een anticyclisch conjunctuurbeleid omdat de overheid recht tegen de conjunctuur in gaat. In een laagconjunctuur betekent dat dat de vraag gestimuleerd moet worden, en in een hoogconjunctuur betekent dat dat de vraag juist afgeremd moet worden. Een voorbeeld van een anticyclisch conjunctuurbeleid is bijvoorbeeld dat in een laagconjunctuur de overheid gaat investeren in infrastructuur (zoals wegen en bruggen), zodat er werknemers nodig zijn voor dat werk. Daarnaast kan de overheid meer werknemers aannemen in de publieke sector. Hierdoor hebben werknemers weer geld om te besteden, stijgt de effectieve vraag, stijgt de productie, en stijgt het nationaal inkomen. Keynes geloofde dus in een anticyclisch conjunctuurbeleid. Dit wordt tot op de dag van vandaag door overheden toegepast. In Nederland leidde het zelfs tot de verzorgingsstaat.

Daarnaast heeft de centrale bank invloed op de rente. Volgens Keynes en het anticyclisch conjunctuurbeleid moet de centrale bank de rente in een laagconjunctuur verlagen zodat het aantrekkelijker wordt om te lenen en minder aantrekkelijk wordt om te sparen. Hierdoor zullen consumenten meer besteden en bedrijven meer investeren. Dit stimuleert de economie weer. Andersom moet de rente in een hoogconjunctuur verhoogd worden om sparen aantrekkelijk te maken en lenen minder aantrekkelijk te maken. Dit zorgt ervoor dat de economie niet te hard van stapel loopt.

Zijn model, het Keynesiaanse model, is dus eigenlijk een model op macro-economisch niveau. Volgens hem overheerst het macro-economische model het micro-economische model. Een macro-economisch model is een model dat gaat over de gehele economie, terwijl een micro-economisch model een model is dat gaat over individuen en individuele bedrijven. De klassieke theorie ging over het micro-niveau en de focus lag op de aanbodkant van de economie. Daarentegen zei Keynes dat individuele personen hele andere belangen hebben dan de maatschappij als geheel. Volgens zijn theorie is het in tijden van crisis nodig om de belangen van de maatschappij boven de individuele belangen te zetten. De zelfstandige werking van de particuliere sector zorgt eigenlijk niet voor de effectiefste situatie voor de economie als geheel, namelijk zelfs tot veel werkloosheid.

Wat is het multipliereffect?

Het extra geld dat de overheid besteedt in tijden van een laagconjunctuur zou zich volgens Keynes in de economie verspreiden door middel van de vermenigvuldiger, ofwel het multipliereffect. Dit effect is eigenlijk te vergelijken met een sneeuwbaleffect. Het betekent namelijk dat de groei van het nationaal inkomen groter is dan de groei in consumptie. Doordat de overheidsbestedingen verhoogd worden, hebben meer mensen een baan en dus een inkomen of een hoger loon. Hierdoor hebben mensen meer geld om uit te geven en zal de vraag, productie, en daarmee het nationaal inkomen stijgen. De vermenigvuldiger houdt dus eigenlijk in dat de stijging van de overheidsbestedingen in meervoud (dus in grotere getalen) terug te zien is in de stijging van het nationaal inkomen. Ook is het zo dat als de overheid meer gaat besteden, en het inkomen van werknemers stijgt, de belastinginkomsten eigenlijk ook stijgen. Denk aan de inkomstenbelasting dat werknemers afdragen over hun loon. Hierdoor zal uiteindelijk het overheidssaldo (belasting min overheidsbestedingen) toch niet zo laag zijn.

De verandering van Y is gelijk aan de multiplier maal de verandering in consumptie. Als de verandering van consumptie dan €10 miljoen is en de verandering van het inkomen €18 miljoen is, dan is de multiplier 1,8. Als het multipliereffect niet aanwezig zou zijn, dan zou het nationaal inkomen (Y) ook gelijk zijn aan €10 miljoen.

Verandering Y = multiplier * verandering C

Het simpele Keynesiaanse model (gesloten economie met consumenten en bedrijven)

Het simpele Keynesiaanse model, wat bestaat uit gezinnen en bedrijven, kan worden verduidelijkt met de functies van dit model. We beginnen met gezinnen en gebruiken hier een voorbeeld van een consumptiefunctie:

C = 0,80Y + 20

  • C          = consumptie
  • 0,80     = marginale consumptiequote
  • Y          = (nationaal) inkomen
  • 20        = vaste consumptie (is er altijd, ongeacht het inkomen, zoals voor eten)

Als het nationaal inkomen bijvoorbeeld 130 (miljard euro) is, hoeveel is dan de consumptie van gezinnen?

We vullen dan 130 in voor de Y en krijgen:

C = 0,80 * 130 + 20 = 124 (miljard euro)

De consumptiequote is eigenlijk deel van consumptie ten opzichte van het inkomen (C/Y). Verder hebben nog een marginale consumptiequote. Dit is eigenlijk hoeveel de consumptie verandert, als het nationaal inkomen verandert. Dit betekent hoeveel extra consumptie er plaatsvindt per euro inkomen. In het bovenstaande voorbeeld is dat dus 0,8 (cent).

De huishoudens sparen natuurlijk ook want we hebben de functie:

Y = C + S

Dit betekent dat het inkomen van gezinnen geconsumeerd (C) kan worden of gespaard (S) kan worden. We laten de belasting buiten beschouwing want we hebben geen overheid in dit model. Hiermee weten we dat gezinnen 6 (miljoen) zullen sparen want 130 – 124 = 6.

Uit de bovenstaande consumptiefunctie kunnen we ook de spaarfunctie afleiden. We weten dat S = Y – C is.

Als we S willen weten kunnen we de consumptiefunctie invullen voor de C:

S = Y – C

S = Y – (0,80Y + 20)                            We vullen de C in

S = Y – 0,80Y – 20                               We halen de haakjes weg door alles wat in de haakjes staat keer -1 te doen

S = 0,20Y – 20                                     Dit houden we dan over

  • S          = sparen
  • 0,20     = marginaal spaarquote
  • Y          = inkomen
  • 20        = vaste consumptie (niet afhankelijk van het nationaal inkomen)

Dan komen we bij bedrijven, die investeren (I). De investeringen zijn autonoom.

We kunnen ook wel zeggen dat de effectieve vraag gelijk is aan de consumptie (door gezinnen) en investeringen (door bedrijven). Keynes zegt eigenlijk dat het inkomen (Y) wordt bepaald door de effectieve vraag (EV). Volgens het inkomensevenwicht in het Keynesiaanse model is er een inkomen waarbij de productie van bedrijven precies genoeg is om aan de consumptie van gezinnen te voldoen. Het betekent dan eigenlijk dat de effectieve vraag gelijk is aan het nationaal inkomen (EV = Y). Maar wanneer is de productie precies gelijk aan de vraag in deze economie? Oftewel, wat is het evenwichtsinkomen? Dat kunnen we berekenen.

Stel we hebben de volgende gegevens:

  • C          = 0,6Y + 25
  • I           = 120
  • EV        = C + I

Dan kunnen we de C en de I invullen in de EV-functie:

  • EV = 0,6Y + 25 + 120
  • EV = 0,6Y + 145

En als we dan de Y voor de EV invullen (want EV = Y) kunnen we dit doen:

  • Y = 0,6Y + 145
  • Y – 0,6Y = 145
  • 0,4Y = 145
  • Y = 145/0,4 = 362,5

Dit is het evenwichtsinkomen en dit betekent eigenlijk dat bij €362,5 miljard de productie precies gelijk is aan de consumptie in deze economie.

Het simpele Keynesiaanse model (gesloten economie met overheid)

In dit model voegen we de overheid toe. Gezinnen betalen namelijk ook belasting (B) en de overheid doet overheidsbestedingen (O).

De effectieve vraagfunctie verandert nu in:

EV = C + I + O

Een consumptiefunctie kan er dan zo uit zien:

C = 0,7Yb + 40

Yb staat dan in dit geval voor het besteedbaar inkomen. Dat is namelijk het inkomen min de belastingen (Y – B = Yb)

Investeringen (I) blijven autonoom.

We voegen nu twee nieuwe functies toe:

De overheidsbestedingen (O), die zijn ook autonoom.

De belastingfunctie, die is afhankelijk van het inkomen. Dus als iemand 15% belasting op het inkomen moet betalen wordt het B = 0,15Y.

We kunnen nu het nieuwe evenwichtsinkomen berekenen met de volgende gegevens:

  • C = 0,7Yb + 40
  • B = 0,15Y
  • I = 50
  • O = 100
  • EV = C + I + O
  • Y = EV

Y = C + I + O

Y = (0,7 Yb + 40) + 50 + 100                Je vult de gegevens in

Y = 0,7(Y – B) + 40 + 50 + 100            Yb kan je ook schrijven als Y - B

Y = 0,7(Y – 0,15Y) + 190                     Je kan B invullen

Y = 0,7(0,85Y) + 190

Y = 0,595Y + 190

Y – 0,595Y = 190                                Je haalt alle Y waarden naar de linker kant

0,405Y = 190

Y = (190/0,405) = 469,1

Dus het nieuwe evenwichtsinkomen is 469,1 (miljard euro). Dit is weer het inkomensevenwicht waar het nationaal inkomen kan voldoen aan de eisen van gezinnen, bedrijven, en de overheid.

Bekijken als Rooster Lijst

4 Items

per pagina
Aflopend sorteren
Bekijken als Rooster Lijst

4 Items

per pagina
Aflopend sorteren