Gratis verzending vanaf 30 euro
Binnen 2 werkdagen in huis
Digitaal te lezen in de app
40.000+ leerlingen gingen je voor

Werkloosheid

Als je geen werk hebt ben je werkloos. In een land kunnen er veel of weinig werklozen zijn. Maar hoe wordt de werkloosheid berekend? En welke soorten werkloosheid zijn er allemaal? In dit artikel lees je meer over de oorzaken en gevolgen van werkloosheid.

Werkloosheid

Wat is de beroepsbevolking?

Beroepsbevolking

Niet iedereen kan of wil werken. Iemand kan bijvoorbeeld niet werken door een ziekte of kan door een andere reden geen baan vinden. Als je in een land kijkt hoeveel mensen wel werken plus het aantal mensen dat kan en wil werken, kun je de beroepsbevolking berekenen. Hiermee kun je vervolgens de werkloosheid berekenen. In Nederland worden de statistieken over de beroepsbevolking en werkloosheid bijgehouden door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Hieronder zie je een figuur van het CBS waarin deze statistieken staan uitgewerkt:

CBS werkloosheid

Bron: CBS

Deze statistieken van het CBS beschrijven het totaal van vraag en aanbod van arbeid. Het aanbod van arbeid is het totaal van de mensen in een land die kunnen en willen werken. Om dit te berekenen berekent het CBS eerst de totale beroepsgeschikte bevolking. Dit is het totaal van de mensen in een land die tussen de 15 en 75 jaar oud zijn. Zij vormen de beroepsgeschikte bevolking, omdat zij met hun leeftijd in principe zouden kunnen werken. In de tabel van het CBS kun je zien dat de beroepsgeschikte bevolking in Nederland in het 4e kwartaal van 2019 13,1 miljoen mensen bedroeg.

Niet iedereen tussen de 15 en de 75 kan en wil werken. Sommige mensen gaan nog naar school en zoeken daarom geen werk. Ook gaan veel mensen voor hun 75e met pensioen. Hiernaast zijn er ook mensen die wel tussen de 15 en 75 jaar oud zijn, maar bijvoorbeeld door een slechte gezondheid niet kunnen werken. Deze mensen vormen de niet-beroepsbevolking. In het 4e kwartaal van 2019 was de niet-beroepsbevolking in Nederland 3,7 miljoen. Dat betekent dat 3,7 miljoen mensen van tussen de 15 en 75 jaar in deze periode niet werkten en niet op zoek waren naar werk.

De rest van de bevolking tussen de 15 en 75 is de beroepsbevolking. Het CBS beschrijft de beroepsbevolking als de groep van personen van 15 tot 75 jaar die ofwel betaald werk hebben, of recent naar betaald werk hebben gezocht en daarvoor direct beschikbaar zijn. Het gaat dus om de mensen die werk hebben of werk zoeken. In het 4e kwartaal van 2019 bestond deze groep uit 9,3 miljoen mensen.

Wat is de participatiegraad?

Participatiegraad

Met de statistieken over de beroepsbevolking en de niet-beroepsbevolking kun je de brutoarbeidsparticipatie van de arbeidsmarkt berekenen. Deze wordt ook wel de (bruto) participatiegraad genoemd. Je kijkt hierbij naar het percentage van de mensen die participeren, oftewel meedoen, op de arbeidsmarkt. De groep die participeert op de arbeidsmarkt is de beroepsbevolking. Zij hebben werk of zijn daar naar op zoek. Je gebruikt de volgende formule voor het berekenen van de participatiegraad:

Participatiegraad = (beroepsbevolking / beroepsgeschiktebevolking) × 100

In het 4e kwartaal van 2019 was de participatiegraad 71,4%. Dit betekent dat 71,4% van de mensen tussen de 15 en 75 jaar oud werken of kunnen en willen werken. De overige 28,6% vormt de niet-beroepsbevolking. Zij participeren niet op de arbeidsmarkt, omdat zij niet werken of niet kunnen of willen werken.

De participatiegraad kan stijgen als meer mensen tussen de 15 en 75 gaan werken of werk gaan zoeken. Dit kan bijvoorbeeld komen door een stijging van de lonen. Stel je voor dat het loon van een bepaald beroep stijgt van 10 euro per uur naar 20 euro per uur. Het wordt dan aantrekkelijker om te werken. Je spreekt dan van een aanmoedigingsbeleid. Mensen die eerst niet op zoek waren naar werk kunnen er nu voor kiezen om dit wel te gaan doen. De participatiegraad zal dan stijgen. De lonen kunnen stijgen als er sprake is van krapte op de arbeidsmarkt. Er is dan veel vraag naar arbeid, maar weinig aanbod. Werkgevers kunnen ervoor kiezen om hogere lonen te bieden om te proberen om mensen ervan te overtuigen om voor hun te gaan werken.

Andersom kan de participatiegraad ook stijgen als de lonen laag zijn of als het erg moeilijk is om werk te vinden. Dit kan het geval zijn als er sprake is van een ruime arbeidsmarkt. Er is dan veel aanbod van arbeid, maar weinig vraag. Werkgevers hoeven dan minder hoge lonen te bieden om personeel te vinden. Ook wordt het voor werklozen lastiger om werk te vinden, omdat ze veel concurrentie hebben van andere werklozen wanneer zij solliciteren. Sommige werklozen kunnen er dan voor kiezen om te stoppen met het zoeken naar werk. Hierdoor zal de participatiegraad dalen.

Hoe bereken je de werkloosheid?

Berekenen

Om de werkloosheid te berekenen kijk je alleen naar hoeveel procent van de beroepsbevolking naar werk zoekt. De niet-beroepsbevolking telt hiervoor niet mee. Zij participeren niet op de arbeidsmarkt en zoeken dus niet naar werk. Het CBS berekent de werkloosheid dus door te kijken naar de werkloze beroepsbevolking. Dit zijn de mensen die ’recent naar betaald werk hebben gezocht en daarvoor direct beschikbaar zijn’. In het 4e kwartaal van 2019 bestond deze groep uit 308.000 mensen. Je kunt hiermee de werkloosheid berekenen door deze groep als percentage van de totale beroepsbevolking te nemen. Je gebruikt hiervoor de volgende formule:

Werkloosheid = (werkloze beroepsbevolking / beroepsbevolking) × 100%

In Nederland was de werkloosheid in het 4e kwartaal van 2019 308.000 / 9.000.000 × 100% = 3,4%. Dat betekent dat 3,4% van de beroepsbevolking in die periode zonder werk zat. De overige 96,6% was wel aan het werk.

Welke soorten werkloosheid zijn er?

Soorten werkloosheid

Als er sprake is van werkloosheid, is er meer aanbod van arbeid dan daar vraag naar is. Er zijn vier soorten werkloosheid:

  • Conjuncturele werkloosheid
  • Structurele werkloosheid
  • Frictiewerkloosheid
  • Seizoenswerkloosheid

Conjuncturele werkloosheid

Als er sprake is van conjuncturele werkloosheid, wordt werkloosheid veroorzaakt doordat de bestedingen te laag zijn. Bij een laagconjunctuur is de vraag naar producten lager dan de productiecapaciteit. De vraag naar producten is dan dus lager dan bedrijven maximaal kunnen produceren. Als bedrijven minder gaan produceren, hebben zij ook minder personeel nodig en ontstaat er werkloosheid. De overheid kan proberen dit soort werkloosheid tegen te gaan door te proberen de conjunctuur te stimuleren. Een manier waarop dit kan is als de overheid zelf meer geld gaat uitgeven. Als de overheid bijvoorbeeld besluit om veel geld te besteden aan het aanleggen van nieuwe snelwegen, is er extra personeel nodig om deze snelwegen aan te leggen. De werkloosheid daalt dan. Een andere manier waarop de overheid de economie kan stimuleren is door de belastingen te verlagen. Als de belastingen lager zijn, houden mensen meer geld over om te besteden. Als zij meer gaan besteden, moeten er meer producten geproduceerd worden. Hiervoor zijn weer meer werkenden nodig, waardoor de werkloosheid daalt.

Structurele werkloosheid

Structurele werkloosheid heeft twee vormen: kwantitatieve en kwalitatieve structurele werkloosheid.

Bij kwantitatieve structurele werkloosheid is het aantal arbeidsplaatsen te laag om de hele beroepsbevolking te laten werken. Dit kan bijvoorbeeld komen door automatisering. Als er meer werk door machines wordt gedaan, zijn er minder mensen nodig voor dit werk. Een andere oorzaak voor kwantitatieve structurele werkloosheid is een stijging van de arbeidsproductiviteit. Als arbeiders meer kunnen produceren in een bepaalde tijd, zijn er minder arbeiders nodig om een bepaalde hoeveelheid werk te doen. Een laatste oorzaak is het verplaatsen van productie naar het buitenland. Als bedrijven hun productie naar een ander land verplaatsen, omdat dat daar bijvoorbeeld goedkoper is, blijven er minder arbeidsplaatsen over in het eigen land. Er ontstaat dan werkloosheid.

Bij kwalitatieve structurele werkloosheid hebben werklozen niet de juiste kwalificaties om aan het werk te gaan. Het aanbod van arbeid sluit dan niet aan bij de vraag. Stel je voor dat in een land veel vraag is naar arbeid in ziekenhuizen, maar dat weinig mensen een zorgopleiding hebben gedaan. Als je bijvoorbeeld economie hebt gestudeerd, kun je niet zomaar in een ziekenhuis aan het werk. Om kwalitatieve werkloosheid op te lossen is een herscholing van werklozen nodig, zodat zij de juiste kwalificaties krijgen om te kunnen werken.

Frictiewerkloosheid

Frictiewerkloosheid ontstaat doordat als je werkloos raakt, het tijd kost om een nieuwe baan te vinden. Als je je baan kwijtraakt moet je vacatures gaan zoeken en hiervoor gaan solliciteren. In de tijd totdat je een nieuwe baan hebt gevonden, ben je werkloosheid. Dit soort werkloosheid dat ontstaat doordat mensen tijd nodig hebben bij het zoeken van een nieuwe baan. Het is dus eigenlijk werkloosheid tussen twee banen in. Als je te lang geen baan kan vinden, behoor je niet meer tot de groep frictiewerklozen, maar spreek je van structurele werkloosheid.

Seizoenswerkloosheid

Sommige banen kunnen alleen in bepaalde seizoenen worden gedaan. Als je ski-instructeur bent, werk je alleen in de winter. Als je op een camping werkt, werk je juist alleen in de zomer. Je werkt dus in bepaalde seizoenen, terwijl je in andere seizoenen werkloos bent. Werkloosheid die wordt veroorzaakt doordat werk alleen in bepaalde seizoenen wordt gedaan, heet seizoenswerkloosheid. Seizoenswerkloosheid komt veel voor in de landbouw, omdat hier alleen in bepaalde seizoenen geoogst wordt. Ook in de toerismesector komt seizoenswerkloosheid voor, omdat veel mensen alleen op vakantie gaan in de zomer en er dus in andere seizoenen geen werk in het toerisme is.

Video

Wil je een uitleg op video zien over de werking van de arbeidsmarkt en werkloosheid? Kijk dan onderstaande video van Economie-Academy.

Bekijken als Rooster Lijst

4 Items

per pagina
Aflopend sorteren
Bekijken als Rooster Lijst

4 Items

per pagina
Aflopend sorteren