Hoe komt een examen tot stand?

Jaarlijks doen zo’n 200.000 leerlingen examen VMBO, HAVO of VWO. Natuurlijk ben je gefocust op slagen voor het eindexamen. Maar heb je je ooit wel eens afgevraagd hoe deze examens worden gemaakt? In dit artikel leggen we je uit hoe de eindexamens tot stand komen.

Examens: wie maakt ze eigenlijk?

Het maken van een centraal examen begint bij de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Jet Bussemaker). Zij is uiteindelijk verantwoordelijk voor de inhoud van het examenprogramma. Uiteraard maakt de minister de examens niet zelf. Zij heeft daarom een zelfstandig bestuursorgaan opgezet om dat voor haar te regelen. Dit orgaan is het College voor Toetsen en Examens, ofwel het CvTE. Het CvTE bepaalt jaarlijks de precieze inhoud van de centrale examens en legt dit vast in een eindexamenprogramma. Wat er precies in een examenprogramma en uiteindelijk in een centraal examen komt, wordt door het CvTE in een syllabus beschreven. Per vak en niveau wordt jaarlijks een gedetailleerde syllabus opgesteld. Hierin staat precies aangegeven welke domeinen en vaardigheden zullen worden getoetst. Deze syllabus is meestal al een aantal jaren voor het centraal examen beschikbaar en wordt gepubliceerd op Examenblad.nl. Zo weten docenten wat jij en je klasgenoten gedurende de bovenbouw moeten leren ter voorbereiding op het centraal examen. Wellicht is het nooit in je opgekomen, maar docenten zijn dus bijvoorbeeld in 4 VWO al bezig met het bijbrengen van onderwerpen die 2 jaar later aan de orde zullen komen op het centraal examen.

Het examentraject

Het creëren van een centraal examen begint al zo’n twee jaar voordat deze wordt afgenomen. Dit proces begint bij het College voor Toetsen en Examens, waar vakcommissies aangeven hoe het examen er in grote lijnen uit moet komen te zien. Hierin wordt onder andere aangegeven hoeveel vragen het examen moet bevatten, hoelang het examen mag duren en hoe de verhouding tussen vaardigheden en domeinen of thema’s moet zijn.

Een groep docenten wordt aan het werk gezet om examenvragen op te stellen. Deze groep docenten wordt samengesteld door het CITO en bestaat uit jonge én oude docenten, uit verschillende delen van het land, die allemaal minimaal 5 jaar ervaring hebben met examenklassen. De vragen worden onderling besproken en bijgesteld tot er conceptvragen ontstaan. Daarna worden de conceptvragen door de vakcommissie besproken. Een vakcommissie bestaat onder andere uit een aantal docenten en het CITO. Na de feedback van de vakcommissie worden de conceptvragen gescreend door een tweede groep docenten. Als de feedback van deze groep is verwerkt, voegt het CITO alle vragen bij elkaar, zodat er een concept-examen ontstaat.

Vervolgens wordt het concept-examen als geheel opnieuw door de vakcommissie bekeken. Daarnaast wordt het concept-examen naar zogenoemde screeners gestuurd. Screeners zijn vaak vakspecialisten die veel afweten van bepaalde domeinen of veel ervaring hebben als docent. Zij kunnen vragen inhoudelijk goed beoordelen en vaststellen of de essentie van de domeinen voldoende terugkomen in de vragen. Daarnaast kijkt er ook een neerlandicus mee. Deze neerlandicus controleert vooral op spelling en of de vragen begrijpelijk zijn. Je wilt natuurlijk wel de vragen goed kunnen begrijpen tijdens het examen.

Als ook de laatste taalfouten zijn opgelost en de zinnen goed leesbaar zijn, wordt er een proefdruk gemaakt. Als deze door de vakcommissie wordt goedgekeurd, wordt overgegaan tot het verspreiden van de examens onder de scholen. Ruim een half jaar voordat je examen gaat doen, liggen de centrale examens dus al op school op je te wachten.

Twee maanden voor de examenperiode nemen de vakcommissie van het CvTE en CITO-medewerkers het examen nog een laatste keer door. Hoewel de examens dan allang gedrukt zijn, kan het CvTE besluiten om aanvullende instructies uit te brengen om jou en je docenten te wijzen op eventuele fouten in het examen. Al zou dat door het hele reviewtraject natuurlijk minimaal mogen voorkomen.

Algemene feedback

Naast de verschillende reviewrondes proberen de examenmakers ook te leren van feedback op eerdere examens. Zo kun je als examenkandidaat klagen over het examen als vragen niet duidelijk zijn. Het LAKS speelt deze opmerkingen door naar het CvTE. In het huidige jaar kunnen je klachten leiden tot een aanpassing van de normering. Ook al zou je klacht niet leiden tot een aanpassing van de normering, helpt het toch om deze door te geven. Het CvTE probeert ervoor te zorgen dat klachten uit eerdere jaren niet opnieuw aan de orde komen in nieuwe examens. Verder worden er achteraf toetsanalyses uitgevoerd om vast te stellen welke vragen goed hebben gewerkt en welke niet. Daarnaast worden vragen van docenten door het CvTE in behandeling genomen en als input gebruikt voor het opstellen van toekomstige examens en voor de richtlijnen voor het nakijken van de examens. Jouw docent en een schaduwlezer beoordelen tenslotte jouw examen. Als voor de docenten onduidelijk is welke normen moeten worden toegepast tijdens het nakijken, kan het voorkomen dat de ene leerling anders wordt beoordeeld dan de andere leerling. Uiteraard is dat niet de bedoeling.

Normering

Het laatste deel van het examenproces bestaat uit de normering. Het CITO beschrijft normeren als: “het waarderen van de prestaties die examenkandidaten hebben geleverd”. Oftewel, normeren gaat over het bepalen hoe goed jouw examen eigenlijk is en welk cijfer daarbij hoort. Het CvTE stelt richtlijnen op waarmee docenten jouw antwoorden beoordelen. Aan deze antwoorden worden punten toegekend. Elke vraag is punten waard als het antwoord de essentie raakt. Deze punten leiden tot een totaalscore. Het CvTE gebruikt een speciale methode om verschillende examens (bijvoorbeeld uit eerdere jaren) met andere vraagvormen, lengtes en verschillen in moeilijkheidsgraad te vergelijken. Aan de hand van deze methode wordt bepaald hoe het totaal aantal punten moet worden omgezet in een cijfer. Uiteindelijk moet het cijfer over de jaren en tijdvakken heen aan gelijke prestatie-eisen voldoen. Stel dat je bijvoorbeeld een moeilijk examen hebt in 2015 en een makkelijk examen in 2016. Stel, je haalt voor beiden 40 punten. Dan zijn de 40 punten uit het makkelijke jaar niet hetzelfde cijfer waard als de 40 punten uit het moeilijke jaar, omdat de moeilijkheidsgraad van het examen afwijkt. Door de CvTE methode te gebruiken, kan het CvTE bijsturen en jou en alle andere examenkandidaten (ongeacht het examenjaar) gelijk behandelen.