Gratis verzending vanaf 30 euro
Binnen 2 werkdagen in huis
Digitaal te lezen in de app
40.000+ leerlingen gingen je voor

Verzuiling en ontzuiling in Nederland

Tussen 1880 en 1960 was Nederland verdeeld in vier ideologische zuilen. Deze verzuiling betekende de opdeling van de samenleving in groepen die zich op grond van levensbeschouwelijke of maatschappelijke opvattingen afzonderlijk organiseerden. Iedere stroming had eigen organisaties op alle terreinen van de samenleving. In dit artikel kun je alles lezen over de verzuiling en de ontzuiling die uiteindelijk volgde.

Alles over de verzuiling en ontzuiling

Video

Wil je liever uitleg over de verzuiling op video? Check dan onderstaande video van JORTgeschiedenis.

 

Ontstaan van de verzuiling

Ontstaan van de verzuiling

De zuilen waren ontstaan vanaf 1880 en werden door met name de katholieken en protestanten nagestreefd. Deze twee groepen wantrouwden elkaar en de anti-Roomse houding bij veel protestanten zorgde ervoor dat gezamenlijke organisaties niet denkbaar waren. Ze kozen dus allebei voor eigen organisaties. Dit deden ze ook omdat ze zich wilden verdedigen tegen de groeiende invloed van het liberalisme in Nederland en ze hun geloofsgemeenschap probeerden te beschermen tegen de secularisering. Daarnaast vonden de protestanten dat er een strikte scheiding tussen christenen en niet-christenen (paganisten) moest zijn: ze wilden een tweedeling in de samenleving creëren.

In 1848 maakte Thorbecke een nieuwe, liberale grondwet die de katholieken, als minderheid in de protestantse samenleving, volledige godsdienstvrijheid gaf. De discriminerende wetten voor katholieken werden opgeheven. Dit zorgde voor een goede band tussen de katholieke en de liberale zuil. De katholieken kregen de ruimte om de bisschoppelijke structuur in Nederland te herstellen, wat in 1853 gebeurde. De protestanten gingen hiertegen in protest. Dit was de zogenaamde Aprilbeweging. Onder Guillaume Groen van Prinsterer probeerden ze de financiering van het bijzondere onderwijs (religieus onderwijs) te bewerkstelligen. Zijn opvolger, Abraham Kuyper, stimuleerde de verzuiling door verschillende organisaties op te zetten. In 1879 richtte hij de ARP (Antirevolutionaire Partij) op, de eerste politieke partij in Nederland en in 1880 de Vrije Universiteit (een gereformeerde universiteit) in Amsterdam. Kuyper vond dat je als ideologische groep op elk niveau in de samenleving eigen organisaties mocht opzetten. Dit noemde hij ‘soevereiniteit in eigen kring’. De katholieken volgden de protestanten en kregen in 1896 hun eigen Roomsch-Katholieke Staatspartij (RKSP). De socialisten en de liberalen deden hetzelfde en stichtten respectievelijk de SDAP en de Liberale Unie. In plaats van onafhankelijke parlementsleden, waaruit de parlementaire democratie in de 19e eeuw bestond, overheersten nu de politieke partijen.

De pacificatie van 1917

Pacificatie van 1917

De Pacificatie van 1917 versterkte de verzuiling in Nederland. De schoolstrijd werd met de pacificatie beëindigd, wat betekende dat het bijzondere onderwijs nu, net zoals het openbare onderwijs, gefinancierd zou worden door de staat. Daarnaast werd het algemeen mannenkiesrecht ingevoerd. Deze besluiten waren tot stand gekomen door compromissen te sluiten tussen de verschillende zuilen. Er werd zowel aan de wens van de linkse partijen (algemeen kiesrecht) als aan die van de rechtse partijen (financiële gelijkstelling) tegemoet gekomen. Dit noemen we sindsdien pacificatiepolitiek. Tijdens de 20e eeuw werd de Nederlandse politiek hierdoor gekenmerkt.

Dit leidde lange tijd tot een vrij statisch politiek beeld. Door de geslotenheid van de zuilen was er na iedere verkiezing vrijwel geen verschuiving in de machtsposities van de partijen. De kracht van de zuilen was enorm.

Wat hield de verzuiling in?

De verzuiling

Nederland was tijdens het grootste deel van de 20e eeuw verdeeld in vier zuilen:

  • De katholieke zuil
  • De protestants-christelijke zuil
  • De socialistische (of sociaal-democratische) zuil
  • De liberale zuil (ook wel de neutrale of algemene zuil genoemd)

Binnen de zuilen was sprake van grote verwevenheid van de organisaties. De vier maatschappelijke groepen hadden hun eigen radio-omroepen, sportverenigingen, kerken, onderwijsinstellingen, vakbonden en dagbladen, waarbij de politieke leiders als redacteur een belangrijke rol speelden. Zo lazen gereformeerden het blad De Standaard van Abraham Kuyper en later de Trouw en hadden ze als omroep de NCRV. De katholieken lazen De Volkskrant, luisterden naar de KRO en hadden een eigen Katholieke Universiteit in Nijmegen. De katholieke zuil was de meest gesloten zuil. Vrijwel alle katholieken stemden op de katholieke partij en 90% trouwde binnen de eigen zuil.

De socialisten lazen Het Parool en luisterden naar de VARA. Zij hadden opvattingen die voor een grote kloof zorgden ten opzichte van de andere zuilen. Socialisten waren bijvoorbeeld tot de jaren ’30 voor een republiek. Ze wilden dat belangrijke bedrijven staatseigendom werden en gaven prioriteit aan gelijkheid in de samenleving. Zo was het verschil tussen arm en rijk begin 20e eeuw in Nederland erg groot, onder andere door de industrialisatie.

De liberale zuil was het minst sterk georganiseerd, maar had ook eigen partijen, omroepen (AVRO) en kranten (zoals het Algemeen Handelsblad). De liberalen deden met enige tegenzin mee aan de verzuiling en hun instellingen stonden voor iedereen open. Het individu stond centraal in het liberalisme en moest zoveel mogelijk vrijheid hebben, zonder teveel invloed van de staat. 

Tussen de zuilen bestonden strikte scheidingen, wat betekende dat de leden van de zuil weinig in aanraking kwamen met het gedachtegoed van andere zuilen. Je werd geboren onder een bepaalde zuil en vervolgens groeide je hierin op, zonder echt contact te hebben met andere zuilen. Tegelijkertijd was er op politiek gebied ook sprake van samenwerking en overleg, met name door de elites aan de top. Deze samenwerking moest ook wel, want er was geen mogelijkheid voor de partijen om een meerderheid te krijgen. De grote partijen moesten samen tot oplossingen komen, wat ook zorgde voor een hoge politieke stabiliteit.

De verzuiling in en na de Tweede Wereldoorlog

WOII

Toen de Duitsers tijdens de Tweede Wereldoorlog Nederland bezetten, verdwenen de zuilen. De bezetter verving veel instellingen uit de verzuiling door algemene instellingen. Er ontstond in die tijd ook een behoefte aan meer eenheid onder het volk. De twijfel over de verzuiling kwam daarnaast voort uit het feit dat het verzet tegen de Duitsers ervoor zorgde dat verschillende zuilen samenwerkten. Na de oorlog herrezen echter de oude, vertrouwde zuilen weer. Er werd wel geprobeerd om de verzuiling te doorbreken. Zo werd de Nederlandse Volksbeweging opgericht en de Partij van de Arbeid, waar niet alleen sociaal-democraten, maar ook katholieken en protestanten lid van werden.

Dit werd de ‘doorbraak-gedachte’ genoemd. Maar toch mislukten de pogingen, vooral omdat de katholieke kerk en katholieke en protestantse politieke leiders zich hiertegen verzetten en hun partijen bleven bestaan.

Ontzuiling

Ontzuiling

Pas midden jaren '60 werden onder invloed van de ontkerkelijking de scheidslijnen tussen de zuilen minder scherp en trad de ontzuiling in. Door de groeiende welvaart werd individuele ontplooiing belangrijker dan het voldoen aan de verwachtingen van de zuil. Er ontstonden ook jeugdculturen die zich gingen afzetten tegen de oudere generatie. Dit zorgde ervoor dat steeds meer mensen zich niet rekenden tot één van de zuilen, waardoor de confessionele partijen een groot deel van hun aanhang verloren. In 1967 behaalden de confessionele partijen voor het eerst in een halve eeuw geen absolute meerderheid in het parlement. In de jaren '70 namen ook de bezwaren tegen de pacificatiepolitiek toe, zoals de beperkte invloed van de kiezers, waarmee er een einde kwam aan deze politiek.

Figuur: ontkerkelijking in Nederland (bron: Reformatorisch Dagblad)

Ontkerkelijking in Nederland

Uiteindelijk leidde de ontzuiling in de jaren '70 tot het CDA. Dit was een fusie van de drie confessionele (christelijke) partijen, waardoor katholieken en protestanten dus gingen samenwerken. In 1976 gingen ook de katholieke en de socialistische vakbonden samen in de FNV. De opkomst van een nieuwe omroep, de TROS, betekende eveneens een doorbreking van de verzuiling. Maar nog steeds zijn de restanten van de verzuiling vandaag de dag nog zichtbaar in onder andere de verscheidenheid aan publieke omroepen.

Bekijken als Rooster Lijst

4 Items

per pagina
Aflopend sorteren
Bekijken als Rooster Lijst

4 Items

per pagina
Aflopend sorteren