Gratis verzending vanaf 30 euro
Binnen 2 werkdagen in huis
Digitaal te lezen in de app
40.000+ leerlingen gingen je voor

De schoolstrijd: wat was dat?

In Nederland betaalt de staat niet alleen voor het openbaar onderwijs, maar ook voor het zogenaamde ‘bijzonder onderwijs’. Onder bijzonder onderwijs vallen scholen die werken op basis van een religieuze of levensbeschouwelijke grondslag. Alle twee de soorten onderwijs krijgen precies even veel geld van de overheid. Maar dit was niet altijd zo. Aan deze gelijkheid is in Nederland in de 19e eeuw de schoolstrijd aan voorafgegaan. Op deze pagina kun je alles lezen over de schoolstrijd.

Alles over de schoolstrijd

Video

Wil je meer weten over de schoolstrijd? Kijk dan onderstaande video.

 

De aanloop naar de schoolstrijd

Aanloop naar de schoolstrijd

In 1795 werd de Nederlandse Republiek door het Franse leger veroverd. Dit leidde tot veel veranderingen in de organisatie en het bestuur van Nederland, waaronder de nieuwe scheiding tussen kerk en staat die de Fransen introduceerden. Voor 1795 had de kerk het namelijk voor het zeggen gehad op alle Nederlandse scholen. Nu werd onderwijs een zaak van de staat. Dit betekende niet dat christelijke scholen verboden werden, maar ze moesten vanaf nu wel toestemming krijgen van de overheid. Deze toestemming gaf de staat lang niet altijd en op geld van de overheid moesten deze bijzondere scholen al helemaal niet rekenen.

Het feit dat bijzonder onderwijs nu enigszins werd achtergesteld, betekende niet dat religie verdween uit het onderwijs. Het christendom vormde in de 19e eeuw namelijk nog steeds de basis voor alle scholen. Zo stond in de schoolwet van 1806 dat de openbare school ‘alle christelijke en maatschappelijke deugden’ moest aanleren. Ondanks dat religie dus niet al te veel nadruk kreeg, gaven ook de openbare scholen toch een, al dan milde, vorm van protestants onderwijs.

De strijd van de protestanten en katholieken

Strijd van katholieken en protestanten

Deze milde vorm van protestants onderwijs was voor de protestanten echter niet goed genoeg. Onder leiding van Groen van Prinsterer pleitten zij daarom voor een religieuzer openbaar onderwijs. Later focusten ze zich meer op het oprichten van bijzondere scholen naast de openbare scholen. Zo richtte Groen van Prinsterer de Vereniging voor Christelijk Nationaal Schoolonderwijs op, om geld bij elkaar te brengen om bijzondere scholen te kunnen oprichten.

Behalve de protestanten voelden vooral ook de katholieken zich erg achtergesteld. De katholieken waren in het protestantse Nederland namelijk een minderheid en voelden zich daardoor achtergesteld. In 1840 stelden zij daarom een lijst met klachten op over hun achtergestelde positie en boden dit aan Koning Willem I aan. Hierin stond dat de katholieken vonden dat ze gediscrimineerd werden bij het stichten van eigen scholen, vooral in het protestantse noorden van Nederland.  Daarnaast klaagden ze over het feit dat het openbare onderwijs geen algemene religieuze inslag had, maar overwegend protestants van aard was. Dit zou ‘gevaarlijk zijn voor katholieke kinderen’.

Een strijd tussen zuilen

Strijd tussen zuilen

In de tijd dat de schoolstrijd woedde, was er in Nederland sprake van Verzuiling. Er waren vier zuilen: de protestanten, katholieken, liberalen en socialisten. In de schoolstrijd kregen de katholieken hulp van de vooruitstrevende liberalen. De liberaal Thorbecke maakte in 1848 namelijk een nieuwe, liberale grondwet voor Nederland. Hiermee gaf hij de katholieken volledige godsdienstvrijheid: de  discriminerende wetten tegen de katholieken werden opgeheven. Daarnaast benadrukte Thorbecke in de grondwet de vrijheid van onderwijs. Zelf was hij meer een voorstander van openbaar onderwijs, maar hij vond dat iedereen zijn eigen school moest kunnen stichten. De nieuwe grondwet gaf de katholieken en protestanten hiermee dus het recht op openbaar onderwijs.

Dit betekende echter nog niet dat ‘bijzonder’ en openbaar onderwijs op financieel gebied gelijkgesteld waren. Om dit te bereiken sloegen lokale verenigingen voor bijzonder onderwijs de handen ineen en groeiden uit tot echte confessionele politieke partijen, zoals de ARP van Abraham Kuyper (Anti-Revolutionaire Partij), de CHU (de Christelijk-Historische Unie) en de KVP (de Katholieke Volkspartij). Allemaal streden ze voor de principiële en financiële gelijkstelling van bijzonder en openbaar onderwijs.

Deze protestantse en katholieke partijen stonden tegenover de zogenaamde ‘seculiere’ partijen van de liberalen en de socialisten. Zij wilden geen staatssubsidie voor de christelijke scholen en waren voorstanders van het openbaar onderwijs. Dit ‘neutrale’ onderwijs zou de bevolking namelijk het best kunnen opleiden.

De pacificatie van 1917

Pacificatie van 1917

Terwijl de confessionele partijen voor de gelijkstelling van bijzonder onderwijs streden, hadden de seculiere partijen een ander groot politiek strijdpunt: het algemeen mannenkiesrecht. Dit konden ze echter niet voor elkaar krijgen zonder de steun van de confessionelen. De zuilen moesten dus samenwerken om hun zin te krijgen. Dit gebeurde met de Pacificatie van 1917, die de schoolstrijd beëindigde en tegelijkertijd het algemeen mannenkiesrecht invoerde. Deze besluiten waren tot stand gekomen door compromissen te sluiten tussen de verschillende zuilen. Er werd op deze manier zowel aan de wens van de linkse partijen (algemeen kiesrecht) als aan die van de rechtse partijen (financiële gelijkstelling) tegemoet gekomen. Deze financiële gelijkstelling hield in dat het bijzonder onderwijs nu grondwettelijk gelijk werd gesteld aan het openbare onderwijs. Dit betekende dat het bijzondere onderwijs net zoals het openbare onderwijs gefinancierd zou gaan worden door de staat. De besluitvoering rondom dit zogenaamde ‘poldercompromis’ noemen we sindsdien pacificatiepolitiek. In 1920 werd de nieuwe onderwijssituatie vastgelegd in de Lager Onderwijswet.

De gevolgen van de pacificatie

Gevolgen van de Pacificatie van 1917

Het gevolg van de pacificatie was een enorme groei aan scholen op religieuze grondslag. Dit betekende echter ook dat het openbaar onderwijs voor een deel leegliep en campagne moest voeren om genoeg leerlingen in de klaslokalen te hebben. Inmiddels is nog maar een derde van de Nederlandse basisscholen openbaar. Tegenwoordig vallen in de categorie ‘bijzonder onderwijs’ niet alleen protestants en katholieke scholen, maar ook joodse en islamitische scholen. Daarnaast zijn er scholen gebaseerd op een levensbeschouwelijke grondslag, het zogenaamde ‘algemeen bijzonder onderwijs’. Voorbeelden hiervan zijn het jenaplanonderwijs en montenssorionderwijs.

Bekijken als Rooster Lijst

4 Items

per pagina
Aflopend sorteren
Bekijken als Rooster Lijst

4 Items

per pagina
Aflopend sorteren

Ontvang exclusieve tips in het examenjaar

Graag helpen we jou in het examenjaar richting je diploma!
Zit jij in je examenjaar en wil jij slagen? Schrijf je dan in voor:

Exclusieve tips
De geheimen van het eindexamen
Een template voor jouw leerplanning
Dat extra zetje in de rug

Ik ben