Examen Wiskunde B VWO 2017

Samenvatting
Examentips
Oude examens

Kun jij goed rekenen met goniometrische functies? Weet jij alles van de afgeleide en zijn algebraïsche vaardigheden voor jou geen probleem? Op deze pagina kun je alles lezen over het examen Wiskunde B VWO.

De examenstof

Het examen Wiskunde B VWO 2017 bestaat uit een aantal onderdelen, namelijk:

1. Algebraïsche vaardigheden

Op het examen wordt van je verwacht dat je je algebraïsche vaardigheden op orde hebt. Denk bijvoorbeeld aan breukvormen, wortelvormen, machten, logaritmen en bijzondere producten. Zorg van elk van deze vormen dat je weet hoe je hiermee moet rekenen of een som moet oplossen. Ook moet je vergelijkingen kunnen oplossen en herleidingen kunnen uitvoeren. Zorg dat je bij vergelijkingen altijd je antwoord controleert door deze opnieuw in de vergelijking te stoppen. Zorg dat je de verschillende methoden hiervoor kent en in staat bent snijpunten in grafieken te vinden.

2. Functies en grafieken

Dit onderdeel gaat in op standaardfuncties, grafieken, vergelijkingen en ongelijkheden. Je moet van standaardfuncties weten wat het domein en bereik zijn. Verder moet je grofweg weten hoe een grafiek zich laat uittekenen aan de hand van het soort functie. Bijvoorbeeld een machtsfunctie laat een parabool zien bij een even n, maar is puntsymmetrisch wanneer de n oneven is. Exponentiële functies laten een steeds sneller stijgende of dalende lijn zien. En logaritmische functies het omgekeerde laten zien van een exponentiële functie. Een goniometrische functie is golvend. Van dit soort functies moet je de evenwichtsstand en amplitude kunnen berekenen.

Op het examen moet je eerstegraadsvergelijkingen kunnen oplossen. Dit zijn lineaire vergelijkingen. Zorg dat je de methode met eliminatie en substitutie kent. Ook moet je tweedegraadsvergelijkingen, hogeregraadsvergelijkingen en wortelvergelijkingen kunnen oplossen. Verder moet je weten wat er gebeurt bij het transformeren van een functie. Zorg dat je weet wat gebroken-, exponentiële-, goniometrische- en logaritmische functies zijn. Je moet daarnaast een logaritmische schaal kunnen gebruiken en vergelijkingen grafisch kunnen oplossen.

3. Discrete analyse

Bij discrete analyse moet je veranderingen kunnen uitleggen. Je moet snel uit een grafiek kunnen opmaken of deze stijgend of dalend is, toenemend, afnemend of constant. Bij een golfbeweging moet je het interval kunnen aflezen. Daarnaast moet je verschillende soorten grafieken en diagrammen kunnen toepassen. Denk aan toenamediagrammen en hellinggrafieken.

4. Differentiaal- en integraalrekening

Differentiaal- en integraalrekening gaat in op afgeleide functies, algebraïsche technieken en integraalrekening. Afgeleide functies worden toegepast om de helling van een grafiek te bepalen. Zorg dat je de extreme waarden weet op te zoeken, en dat je bekend bent met het berekenen van de tweede afgeleide.

Bij de algebraïsche technieken moet je de basisregels van het differentiëren kennen. Verder moet je kunnen rekenen met de productregel, somregel, verschilregel, quotiëntregel en kettingregel. Bij integraalrekening moet je in staat zijn om de oppervlakte van een grafiek te kunnen berekenen. Zorg dat je de Riemannsom kent en weet hoe je moet primitiveren. Daarnaast kan het zijn dat je op het examen de oppervlakte tussen twee grafieken moet berekenen of de booglengte moet bepalen.

5. Goniometrische functies

Goniometrie is het deel van de wiskunde dat zich bezighoudt met driehoeken. En dan voornamelijk met de goniometrische functies sinus, cosinus en tangens. Wanneer je met cirkels te maken hebt, moet je weten hoe je met radialen moet omgaan. Goniometrische functies komen veel voor in parametervoorstellingen. Dit zijn figuren waarbij zowel de x als y afhankelijke variabelen van de tijd zijn. Je moet hierbij de formules van Mollweide / Simpson kennen. Ook moet je weten wat een Lissajous-figuur is en hoe hiermee kunt rekenen.

6. Voortgezette meetkunde

In het laatste onderdeel moet je het verschil kennen tussen een definitie, stelling en vermoeden. Je moet weten hoe je met direct en indirect bewijs stellingen of vermoedens kunt bewijzen of ontkrachten. Op het examen moet je de definities kennen van bepaalde figuren. Dit is van belang om stellingen te kunnen bewijzen. Zorg dat je weet wat de definities zijn van vierhoeken, driehoeken, lijnen, cirkels en hoeken. Op het examen kunnen bijvoorbeeld stellingen terugkomen als de stelling van de overstaande hoek, F-hoeken, Z-hoeken, driehoeksongelijkheid en de middelloodlijn. Let op: er zijn in totaal 34 stellingen die je moet kennen.

Het examen Wiskunde B VWO

Wiskunde is de wetenschap die zich bezighoudt met de eigenschappen van getallen, patronen en structuren. Het examen Wiskunde B VWO bestaat uit vragen over deze onderwerpen. Hieronder leggen we uit wat voor vragen je kunt verwachten.

Op het examen moet je de eigenschappen van standaardfuncties kennen, grafieken kunnen tekenen en vergelijkingen kunnen oplossen. Ook wordt er verwacht dat je kunt differentiëren en de eerste en tweede afgeleide kunt gebruiken om een functie te onderzoeken. Daarnaast moet je integralen kunnen berekenen en berekeningen kunnen uitvoeren bij periodieke verschijnselen. Ten slotte dien je constructies te kunnen uitvoeren en bewijzen te kunnen geven in de vlakke meetkunde

Op het Wiskunde B examen krijg je open vragen over deze onderwerpen. Je kunt naar schatting rond de 17 vragen verwachten.

Hoe kunnen wij jou helpen bij het eindexamen?

Wij geloven dat iedereen kan slagen voor het eindexamen. Om jou te helpen goed voorbereid het examen in te gaan, hebben wij de volgende drie hulpmiddelen voor jou:

De examenperiode is de meest stressvolle tijd van de middelbare school. Maar als jij onze samenvatting goed doorneemt, veel oefenvragen maakt en onze examentips leest, dan ga jij straks slagen voor het eindexamen!

3 Items

per pagina
Aflopend sorteren
  1. Samenvatting Wiskunde B (VWO) €12

    Van € 9,00

    Naar € 15,00

  2. Samenvatting + Oefenboek Wiskunde B (VWO) €26
    € 26,00 Normale prijs € 28,00

3 Items

per pagina
Aflopend sorteren