Examen Maatschappijwetenschappen VWO

Samenvatting
Examentips
Oude examens

Kun jij de opbouw en het functioneren van de maatschappij uitleggen? Hoe bijvoorbeeld politieke besluitvorming tot stand komt? Of uitleggen wat voor rol de massamedia heeft in de maatschappij? Op deze pagina kun je alles lezen over het examen Maatschappijwetenschappen VWO.

De examenstof

Het examen Maatschappijwetenschappen VWO 2017 bestaat uit een aantal onderdelen, namelijk:

1. Politiek besluitvorming

Dit onderdeel gaat in op vier onderwerpen. Het eerste onderwerp gaat in op politieke structuren. Het tweede gaat in op actoren in het proces van politieke besluitvorming. Het derde onderwerp is politieke cultuur en politiek stromingen. Als laatste komen internationale betrekkingen aan de orde.

A. politieke structuren

Voor het examen moet je snappen hoe ons politieke stelsel eruitziet. Je moet kunnen uitleggen dat wij een constitutionele monarchie kennen. Hierin is de koning het staatshoofd, maar zijn de ministers politiek verantwoordelijk. Verder is Nederland een democratie met een kiesstelsel. Zorg dat je snapt hoe de regering, Eerste en Tweede Kamer zijn opgebouwd en hoe deze worden gekozen.

Leer goed welke rol de overheid heeft. Dat het bijvoorbeeld zorgt voor collectieve goederen. Of dat de overheid zich inzet om maatschappelijke problemen aan te pakken. Het is belangrijk om begrippen als staat, overheid en politiek te kunnen onderscheiden. De macht van politieke besluitvorming wordt op verschillende niveaus geregeld. Zorg dat je de verschillende rollen van de Rijksoverheid, provincie en gemeente begrijpt.

De overheid probeert met wetgeving de rechten en plichten van burger te verankeren in de maatschappij. Je moet hierbij weten hoe wetgeving tot stand komt. Maar ook welke belangrijke grondrechten we in Nederland kennen. Zorg dat je het verschil weet tussen klassieke grondrechten en sociale grondrechten. Voorbeelden van klassieke grondrechten zijn (1) vrijheid van onderwijs, (2) vrijheid van godsdienst of (3) kiesrecht. Voorbeelden van sociale grondrechten zijn recht op (1) gezondheidszorg, (2) bestaanszekerheid en (3) onderwijs.

B. Actoren in het proces van politieke besluitvorming

Ons land kent een politiek systeem waar opvattingen en wensen van individuen/groepen worden omgezet in bindende beslissingen. Dit kun je vanuit een systeemmodel benaderen. Zorg dat je goed weet wat er in de stappen (1) invoer, (2) conversie, (3) uitvoer en (4) terugkoppeling gebeurt.

Je dient de verschillende spelers in het politiek systeem te kennen. Denk onder andere aan politieke partijen, burgers, belangengroepen, politieke partijen, planbureaus en de media. Ook moet je de verschillende functies van politieke partijen kennen. Denk bijvoorbeeld aan de participatiefunctie, rekrutering en de communicatiefunctie. Daarnaast is het belangrijk om te weten wat de rechten en plichten zijn van de Eerste en Tweede Kamer.

De Nederlandse politieke besluitvorming vindt plaats op basis van coalities. Zorg dat je snapt dat er verschillende partijen worden gekozen, (meestal) zonder absolute meerderheid. Hierdoor moet er worden samengewerkt tussen partijen. Zorg echter ook dat je de knelpunten van ons politiek stelsel kent.

Er zijn twee vormen van politieke participatie die je moet kennen op het examen. Dit zijn electorale participatie en niet-electorale participatie. Zorg dat je begrijpt wat onder beide vormen wordt verstaan. Belangrijke begrippen hier zijn pressiegroepen en lobbyen. Je moet weten hoe beiden de politiek proberen te beïnvloeden. Ook is belangrijk te snappen waarom burgers wel of niet willen participeren in de politiek. Denk onder andere aan gebrek aan politieke zelfvertrouwen, cynisme, onwetendheid of een gebrek aan interesse.

C. Politieke cultuur en politieke stromingen

Politieke partijen zijn gebaseerd op verschillende ideologieën. Je moet de belangrijkste ideologieën kennen. Dit zijn het socialisme, liberalisme, confessionalisme, ecologisme, feminisme en fascisme. De eerste drie ideologieën hierboven komen in Nederland het meest voor. Er zijn echter ook partijen die zich niet ideologisch laten vastleggen, maar bijvoorbeeld pragmatisch of populistisch zijn. Zorg dat je de kenmerken van het populisme kent.

In het nieuws wordt vaak gesproken over links versus rechts of conservatief versus progressief. Met deze begrippen wordt het politiek spectrum bedoeld waarin partijen kunnen worden geplot. Zorg dat je deze begrippen goed kent. Andere belangrijke tegenstellingen die je moet kennen zijn ideologisch versus pragmatisch, nationalistisch versus internationalistisch en confessioneel versus non-confessioneel.

D. Internationale betrekkingen

Nederlandse politieke besluitvorming staat vrijwel nooit op zichzelf. Meestal zijn we afhankelijk van ontwikkelingen op internationaal vlak. Dit komt onder andere door globalisering en Europese integratie. Je moet de volgende internationale instituten kennen: de EU, VN, NAVO en de Raad van Europa.

De Europese Unie is een supranationale instelling voor Europese burgers. Je moet het politiek systeem van de EU kennen. Weet hierbij dat de Europese Commissie wetsvoorstellen indient en het dagelijkse bestuur op zich neemt. Het Europees Parlement debatteert over de ingediende wetsvoorstellen en kan wijzigingen voorstellen. Vervolgens neemt deze samen met de Europese Raad van ministers (van alle EU-lidstaten) een beslissing over de voorstellen.

Zorg dat je weet op welke vlakken de EU actief is. Bijvoorbeeld economie, handel en recht. En wat er door lidstaten zelf wordt geregeld. Denk aan onderwijs, cultuur en sociale voorzieningen. Sta ook stil bij de rol van een instituut als de Europese Centrale Bank (ECB) of het Europees Hof van Justitie. Zorg verder dat je de voordelen en nadelen (problemen) van de EU kent. Denk onder andere aan besluitvorming, democratie, nationale soevereiniteit en financiën.

Het tweede instituut is de Verenigde Naties. Je moet weten wat het doel van de VN is (vrede en veiligheid in de wereld bewaren). Maar ook op welke gebieden de VN actief is (1) vrede en veiligheid, (2) mensenrechten, (3) economische ontwikkelingen in derdewereldlanden en (4) milieuproblematiek. Ook hier is het belangrijk om te weten hoe besluitvorming plaatsvindt. Je moet onder andere de rol van het Internationaal Gerechtshof en de Veiligheidsraad kennen.

De NAVO is een militair samenwerkingsverband van 28 Noord-Amerikaanse en Europese landen. Het belangrijkste artikel van de NAVO is artikel 5. Een aanval op één van de landen wordt gezien als een aanval op allemaal. Je moet weten waar de NAVO actief is en hoe besluitvorming binnen de NAVO plaatsvindt.

De Raad van Europa is een samenwerking van alle Europese landen op het Europese continent, gericht op cultuur en democratie. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens is een onderdeel van de Raad van Europa. Deze is gericht op mensenrechten.

2. Massamedia

Dit onderdeel bespreekt wat communicatie is en wanneer er sprake is van massacommunicatie. In principe kun je ervan uitgaan dat er sprake is van massacommunicatie als het gericht is op een groot publiek, dat (relatief) onbekend is voor de zender. In de meeste gevallen is massacommunicatie eenrichtingsverkeer. Al brengt het internet daar wel verandering in.

Je moet voor het examen weten welke voornaamste vormen van massacommunicatie we kennen. Dit zijn audiovisuele media, gedrukte pers en digitale media. Van elk soort moet je voorbeelden kunnen benoemen. Ook moet je weten hoe het Nederlandse duale omroepstelsel eruitziet en wat het verschil is tussen de commerciële omroep en de publieke omroep. Massamedia kunnen verschillende functies hebben. Bijvoorbeeld, opiniërend, educatief, of amuserend (let op, er zijn er meer). Zorg dat je deze kent en dat je kunt bepalen in hoeverre bronnen aan journalistieke normen voldoen.

Europa kent het recht op informatie, wat betekent dat er geen censuur is op het openbaar maken van gedachten of gevoelens. Hierdoor kan de media onafhankelijk het functioneren van de politiek becommentariëren. Daarnaast mogen we onze gedachten en gevoelens vrij uiten via het recht op vrijheid van meningsuiting. Zorg dat je snapt waarom dit belangrijk is in een vrij en democratisch land.

Het Nederlandse publieke omroepstel kent pluriformiteit, waarmee wordt bedoeld dat er verschillende omroepen zijn en er ruimte wordt geboden aan verschillende opinies. De overheid stimuleert dit door middel van de mediawet. Zorg dat je snapt hoe het publieke omroepstelsel en de mediawet werken. Door technologische ontwikkelingen ontstaan er tegelijk steeds meer (internationale) bronnen van informatie waarbij niet altijd duidelijk is wie de zender is van de informatie.

Zorg dat je ook de grenzen kent van de informatievoorziening via massamedia. Een onderdeel hiervan is commercie. Kranten, tijdschriften, radio, televisie en internetmedia houden rekening met vraag en interesse van het publiek. Hoe meer bereik, hoe meer adverteerders willen betalen en hoe hoger de advertentie-inkomsten. Dit leidt tot het risico dat de informatievoorziening wordt bijgesteld om in de behoefte van het publiek te voorzien. Daarnaast moet je weten hoe normen & waarden, cultuur en stereotypering invloed hebben op de massamedia.

3. Criminaliteit en rechtsstaat

Criminaliteit en rechtsstaat bespreekt de samenhang en invloed op de samenleving. Je moet weten wat rechtsregels en normen zijn. En hoe deze samen met jurisprudentie bepalen wat in Nederland wel en niet is toegestaan. Criminaliteit is het geheel van gedragingen dat wettelijk strafbaar is gesteld. Je moet hierbij onder andere weten welke factoren tot hogere kans op criminaliteit leiden. En wat de meest voorkomende vormen van criminaliteit zijn. Daarnaast moet je ook de gevolgen van criminaliteit kunnen benoemen.

Criminaliteit leidt tot sociale en politieke problemen/vraagstukken. Je moet onder andere de veiligheidsutopie en de veiligheidsparadox kunnen uitleggen. Er worden veel onderzoeken gehouden om criminaliteit in kaart te brengen. Je moet hierbij de meest voorkomende onderzoekvormen en de beperkingen daarvan kennen. Het is belangrijk te begrijpen hoe de beeldvorming rondom criminaliteit in elkaar steekt. Belangrijk is ook de rol van massamedia hierin te onderkennen.

Naast het begrip criminaliteit is ook belangrijk te weten wat de rechtsstaat is. Je moet hierbij weten hoe de rechtsstaat is vastgelegd in de grondwet en internationale verdragen. Daarnaast moet je de machtenscheiding tussen de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke machten kunnen uitleggen. Verschillende staatsorganen houden zich bezig met strafrecht en handhaving. Denk aan de wetgever, politie, OM en rechters. Je moet van elk de rollen en spanningsvelden kennen.

Je moet voor het Maatschappijwetenschappen examen ook het één en ander weten over het strafrecht en strafprocesrecht. Hierbij komt ook terug hoe het strafrecht is ingericht. Denk aan de rechtbank, het gerechtshof en de Hoge Raad. Ook moet je de rechten van een verdachte kennen en de positie van slachtoffers. Ook moet je het overheidsbeleid snappen ten aanzien van criminaliteit. Bijvoorbeeld het opsporingsbeleid, vervolgingsbeleid en gevangenisbeleid. Je moet ook het verschil snappen tussen repressief en preventief beleid en de standpunten van politieke partijen hierin.

Er zijn verschillende functies van straffen. Je moet deze kunnen benoemen, alsook het doel van de verschillende straffen. Daarnaast moet je de oorzaken van criminaliteit en crimineel gedrag kunnen verklaren aan de hand van verschillende theorieën.

Het examen Maatschappijwetenschappen VWO

Maatschappijwetenschappen bestudeert de opbouw en het functioneren van de maatschappij. Op het examen Maatschappijwetenschappen VWO 2017 komen drie hoofdonderwerpen terug. Het examen bestaat enkel uit open vragen over deze onderwerpen. Hieronder leggen we uit wat voor vragen je kunt verwachten.

Bij het merendeel van de vragen wordt een casus geschetst. Meestal over maatschappelijke problemen die vanuit meerdere kanten kunnen worden belicht. Er wordt van je verwacht dat je één van de kanten van het probleem belicht. Het kan ook zijn dat je verschillen tussen bepaalde stellingen moet kunnen aanduiden. Soms dien je je antwoord te onderbouwen met verschillende argumenten.

Andere vragen gaan rechtstreeks over de begrippen. Leer de begrippen daarom goed. Laat je eventueel overhoren door een klasgenoot. Daarnaast komt het ook voor dat je begrippen in een context moet plaatsen. Probeer goed te letten op de relatie van de begrippen in combinatie met een groter onderwerp.

Hoe kunnen wij jou helpen bij het eindexamen?

Wij geloven dat iedereen kan slagen voor het eindexamen. Om jou te helpen goed voorbereid het examen in te gaan, hebben wij de volgende drie hulpmiddelen voor jou:

De examenperiode is de meest stressvolle tijd van de middelbare school. Maar als jij onze samenvatting goed doorneemt, veel oefenvragen maakt en onze examentips leest, dan ga jij straks slagen voor het eindexamen!

1 Item

per pagina
Aflopend sorteren
  1. Samenvatting Maatschappij-wetenschappen (VWO) €12

    Van € 9,00

    Naar € 15,00

1 Item

per pagina
Aflopend sorteren