Gratis verzending vanaf 30 euro
Binnen 2 werkdagen in huis
Digitaal te lezen in de app
40.000+ leerlingen gingen je voor

Taalkundig ontleden: hoe doe je dat?

Weet jij precies hoe je een zin moet ontleden? In dit artikel kun je alles lezen over de verschillende woordsoorten en het taalkundig ontleden van zinnen. 

Taalkundig ontleden

Video

Wil je uitleg op video zien over taalkundig ontleden? Kijk dan onderstaande video.

 

Wat is taalkundig ontleden?

Wat is taalkundig ontleden?

Er is een belangrijk verschil tussen taalkundig ontleden en redekundig ontleden. In schoolboeken wordt dit onderscheid ook gemaakt. Taalkundig ontleden valt onder woordsoorten en redekundig ontleden valt onder zinsdelen. Simpel gezegd betekent dit dat je bij taalkundig ontleden elk woord in de zin benoemt. Je kunt gewoon bij het eerste woord beginnen en op deze manier naar het einde van de zin werken. Naast taalkundig en redekundig ontleden is er ook nog zoiets als het globaal ontleden van een hele tekst. Dit gebeurt vaak met functiewoorden.

Welke woordsoorten zijn er?

Woordsoorten

De lijst met woordsoorten is aardig lang. Er zijn ook veel verschillende woorden. Denk bijvoorbeeld aan werkwoorden, zelfstandige naamwoorden en voorzetsels. Sommige woordsoorten zijn ook weer verder op te splitsen. Je kunt werkwoorden bijvoorbeeld weer onderverdelen in zelfstandige werkwoorden, hulpwerkwoorden en koppelwerkwoorden. Hieronder vind je de volledige lijst met woordsoorten.

Zelfstandige naamwoorden

Zelfstandige naamwoorden

Zelfstandige naamwoorden zijn mensen, dieren, planten en dingen. Je kunt er een lidwoord voor zetten. Let op: ook eigennamen en landen/plaatsen vallen hieronder.

Voorbeelden:

  • Appel
  • Liefde
  • Joost
  • Frankrijk

Lidwoorden

Lidwoorden

Lidwoorden zijn de, het en een. We maken een onderscheid tussen bepaalde en onbepaalde lidwoorden. De en het zijn bepaalde lidwoorden en een is een onbepaald lidwoord.

Bijvoeglijke naamwoorden

Bijvoeglijke naamwoorden

Bijvoeglijke naamwoorden zijn woorden die iets extra’s zeggen over zelfstandige naamwoorden. Je schrijft bijvoeglijke naamwoorden zo kort mogelijk.

Voorbeelden:

  • Mooie tuin
  • Verstandige jongen
  • De boom is groot
  • Het aangebrande eten

Stoffelijk bijvoeglijke naamwoorden

Een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord geeft aan van welk materiaal iets is gemaakt.

Voorbeelden:

  • Houten deur
  • Katoenen blouse

Werkwoorden

Werkwoorden

Een werkwoord is iets wat je doet. Werkwoorden kunnen in verschillende tijden voorkomen.

Voorbeelden:

  • Luisteren
  • Geluisterd
  • Luisterde
  • Luister

Zelfstandige werkwoorden

Een zelfstandig werkwoord is het belangrijkste werkwoord in de zin. Dit werkwoord zegt het meest over de betekenis van de zin. In de zin ‘Ik heb het huis geschilderd’, vertelt geschilderd meer over de betekenis van de zin dan heb. Staat er maar één werkwoord in de zin? Dan is dit automatisch het zelfstandige werkwoord.

Hulpwerkwoorden

Als je het zelfstandige werkwoord hebt gevonden, dan zijn de overgebleven werkwoorden van de zin de hulpwerkwoorden. In de zin ‘Ik heb het huis geschilderd’, is heb dus het hulpwerkwoord.

Koppelwerkwoorden

Als er een koppelwerkwoord in de zin staat, dan kan het zijn dat je te maken hebt met een naamwoordelijk gezegde in plaats van een werkwoordelijk gezegde. Zie hiervoor het artikel over redekundig ontleden. Let op: er staat altijd óf een zelfstandig werkwoord óf een koppelwerkwoord in een zin. We onderscheiden de volgende koppelwerkwoorden:

  • Zijn
  • Worden
  • Blijven
  • Blijken
  • Lijken
  • Schijnen
  • Heten
  • Dunken
  • Voorkomen

Voorzetsels

Voorzetsels

Op de basisschool woorden voorzetsels ook wel ‘kast-woordjes’ genoemd, omdat je deze woorden vaak voor ‘de kast’ kunt plaatsen. Het is echter slim om deze woorden ook ‘feest-woordjes’ te noemen, omdat je anders niet alle voorzetsels zal kunnen vinden, zoals tijdens.

Voorbeelden:

  • Op
  • Naast
  • Bij
  • Onder
  • Langs
  • Met

Telwoorden

Telwoorden

Een telwoord is een woord dat een aantal of een volgorde aangeeft. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen hoofdtelwoorden en rangtelwoorden, net als tussen bepaalde en onbepaalde telwoorden.

Bepaald hoofdtelwoord

Bij een bepaald hoofdtelwoord weet je het precieze aantal. Voorbeelden:

  • Twee
  • Vijftien
  • Driehonderddertien

Onbepaald hoofdtelwoord

Bij een onbepaald hoofdtelwoord weet je het precieze aantal niet. Voorbeelden:

  • Weinig
  • Minder
  • Enkele
  • Sommige

Bepaald rangtelwoord

Een rangtelwoord geeft een plek in een rij aan. Bij een bepaald rangtelwoord weet je de precieze plek in de rij. Voorbeelden:

  • Eerste
  • Derde
  • Negentiende

Onbepaald rangtelwoord

Bij een onbepaald rangtelwoord weet je de precieze plek (getal) in de rij niet. Voorbeelden:

  • Laatste
  • Middelste
  • Zoveelste

Voornaamwoorden

Voornaamwoorden

Een voornaamwoord verwijst naar mensen, dieren, personen of dingen zonder deze specifiek te noemen. Er bestaan veel verschillende voornaamwoorden:

Vragend voornaamwoord

Er zijn vier vragende voornaamwoorden. Deze vind je vaak aan het begin van een vraagzin. Let op: als je andere woorden aan het begin van een vraagzin ziet staan, dan zijn dit geen vragende voornaamwoorden, maar meestal bijwoorden.

Voorbeelden:

  • Wie
  • Wat
  • Welke
  • Wat voor een

Aanwijzend voornaamwoord

Aanwijzende voornaamwoorden wijzen letterlijk iets aan.

Voorbeelden:

  • Deze fiets
  • Die straat
  • Dit huis
  • Dat boek
  • Zulke vlaggen
  • Diegene

Bezittelijk voornaamwoord

Bezittelijke voornaamwoorden geven een bezit van iemand aan. Let op: in een zin zoals ‘Die fiets is van jou’, is ‘jou’ geen bezittelijk voornaamwoord, maar een persoonlijk voornaamwoord.

Voorbeelden:

  • Hun auto
  • Haar verjaardag
  • Jouw huisdieren

Persoonlijk voornaamwoord

Persoonlijke voornaamwoorden noemen (meestal) personen zonder ze bij naam te noemen.

Voorbeelden:

  • Ik
  • Je
  • Hij
  • Wij
  • Jullie
  • U
  • Jou

Onbepaald voornaamwoord

Onbepaalde voornaamwoorden verwijzen niet naar concrete zaken, maar naar onbepaalde zaken.

Voorbeelden:

  • Alles
  • Allemaal
  • Andere
  • Ieder
  • Iemand
  • Iets
  • Verschillende

Betrekkelijk voornaamwoord

Het betrekkelijk voornaamwoord verwijst naar iets wat al eerder in de zin stond. Voorbeelden:

  • Het boek dat ik lees.
  • Zij wilde geen huiswerk maken, wat haar moeder geen goed idee vond.

Wederkerend voornaamwoord

Wederkerende voornaamwoorden zijn woorden zoals ‘me’ en ‘zich’ in zinnen als ‘Ik was me’ en ‘hij verkleedt zich’. Deze woorden verwijzen naar het onderwerp in de zin; het onderwerp ‘keert weder’.

Voorbeelden:

  • Zich
  • Me
  • Ons
  • Je

Wederkerig voornaamwoord

Het wederkerig voornaamwoord lijkt erg op het wederkerend voornaamwoord, met als enige verschil dat alleen elkaar gezien wordt als wederkerig voornaamwoord. Variaties hierin kunnen wel voorkomen:

  • Elkaar
  • Mekaar
  • Elkander
  • Mekander

Vraagwoorden

Vraagwoorden

Er zijn nog andere vraagwoorden dan het vragend voornaamwoord:

Vragend bijwoord

  • Hoe
  • Waar
  • Wanneer

Vragend voornaamwoordelijk bijwoord

  • Waarom
  • Waarmee
  • Waarvan

Vragend telwoord

  • Hoeveel

Voegwoorden

Voegwoorden

Voegwoorden verbinden twee zinnen (of woorden) met elkaar. Voegwoorden maken het verband tussen deze twee zinnen of woorden duidelijk. Denk bijvoorbeeld aan een opsommend verband (en) of aan een tegenstellend verband (maar).

Voorbeelden:

  • En
  • Maar
  • Terwijl
  • Daardoor
  • Mits
  • Tenzij

Tussenwerpsels

Tussenwerpsels

Tussenwerpsels zijn eigenlijk een vreemde eend in de bijt. Ze hebben geen echte grammaticale functie en kunnen ook los van de zin betekenisvol gebruikt worden. Denk bijvoorbeeld aan begroeten, vloeken of het uiten van andere emoties.

Voorbeelden:

  • Hallo
  • Oeps
  • Tss
  • Au
  • Foei
  • Welja
  • Verdorie

Bijwoorden

Bijwoorden

Een bijwoord geeft meer informatie over een ander woord in de zin. In de zin ‘Zij woont hiernaast’ is ‘hiernaast’ het bijwoord dat meer informatie geeft over het wonen. Vaak (maar niet altijd!) geven bijwoorden antwoord op een vraag (waar? wanneer? hoe laat?).

Voorbeelden:

  • Gisteren
  • Om 5 uur
  • Buiten
  • Misschien
  • Nu

Moet ik echt al deze woordsoorten kennen?

Moet je alles kennen?

Niet op elk niveau en op elke school worden alle woordsoorten zo uitgebreid behandeld. Het is dus misschien niet noodzakelijk om alles te kennen. Het kan echter natuurlijk geen kwaad om deze kennis wel in huis te hebben!

Voorbeeldzin

Voorbeeldzin

Ik weet nu iets over de verschillende woordsoorten.

  • Ik = persoonlijk voornaamwoord
  • Weet = zelfstandig werkwoord
  • Nu = bijwoord
  • Iets = onbepaald voornaamwoord
  • Over = voorzetsel
  • De = bepaald lidwoord
  • Verschillende = bijvoeglijk naamwoord
  • Woordsoorten = zelfstandig naamwoord
Bekijken als Rooster Lijst

4 Items

per pagina
Aflopend sorteren
Bekijken als Rooster Lijst

4 Items

per pagina
Aflopend sorteren

Ontvang exclusieve tips in het examenjaar

Graag helpen we jou in het examenjaar richting je diploma!
Zit jij in je examenjaar en wil jij slagen? Schrijf je dan in voor:

Exclusieve tips
De geheimen van het eindexamen
Een template voor jouw leerplanning
Dat extra zetje in de rug

Ik ben