Gratis verzending vanaf 30 euro
Binnen 2 werkdagen in huis
Digitaal te lezen in de app
40.000+ leerlingen gingen je voor

Redekundig ontleden: hoe doe je dat?

Ooit zag je als kleuter enorm op tegen de rest van de basisschool als je de term 'de tafel van acht' hoorde, werd je zenuwachtig van het woord 'huiswerk' en dacht je dat je nooit meer een schooldag zou overleven toen je voor het eerst hoorde over toetsen met een tijdsduur van 180 minuten. Maar toch leef je nog en bleek het allemaal reuze mee te vallen. Zo is het ook een beetje met redekundig ontleden: het klinkt erg lastig, maar het is uiteindelijk goed te doen. In dit artikel vertellen we jou stap voor stap hoe je zinnen redekundig kunt ontleden.

Redekundig ontleden van zinnen

Wat is redekundig ontleden?

Wat is redekundig ontleden?

Redekundig ontleden is het verdelen van een zin in zinsdelen die elk een eigen grammaticale functie hebben. Daarmee is er dus een verschil tussen redekundig ontleden en taalkundig ontleden. Bij taalkundig ontleden benoem je namelijk elk woord van een zin, terwijl je bij redekundig ontleden de verschillende zinsdelen benoemt. Waar je bij redekundig en taalkundig ontleden naar één zin kijkt, komt het ook wel eens voor dat je een hele tekst moet verdelen in verschillende stukken. Dit doe je door middel van functiewoorden.

Hoe ontleed je redekundig?

Hoe ontleed je redekundig?

Een zinsdeel is een stuk in de zin dat bij elkaar hoort. Maar hoe weet je nu wat er precies bij elkaar hoort? Dat kun je onderzoeken door een zin door elkaar te husselen en de woorden in een andere volgorde te zetten. Bijvoorbeeld:

Jan liep gisteren fluitend naar school.
Gisteren liep Jan fluitend naar school.
Naar school liep Jan gisteren fluitend.

Fluitend | liep | Jan | gisteren | naar school.

In de laatste zin zijn zinsdeelstrepen gezet tussen de (groepen) woorden die bij elkaar horen. Door het husselen van de woorden in de zin, zie je dat 'naar school' bij elkaar hoort. Deze twee woorden kun je niet uit elkaar halen zonder een kromme zin te krijgen. De rest van de woorden kun je wel loshalen in een kloppende zin.

Welke volgorde hanteer je bij redekundig ontleden?

Welke volgorde hanteer je bij redekundig ontleden?

Bij het redekundig ontleden van een zin is het handig om steeds een bepaalde volgorde van grammaticale functies aan te houden. Die grammaticale functies staan hieronder in de volgorde die wij adviseren. Als eerst zullen we de persoonsvorm bespreken. Let er wel op dat je na het vinden van de persoonsvorm eerst de zinsdeelstrepen zet, voordat je verdergaat met de rest van de grammaticale functies.

Persoonsvorm

Voordat je een zin verdeelt in zinsdelen, ga je eerst op zoek naar de persoonsvorm. De persoonsvorm is namelijk één zinsdeel en alles wat hiervoor staat in de zin is ook één zinsdeel. Het vinden van de persoonsvorm helpt je dus om de zin te verdelen in zinsdelen. De persoonsvorm kun je op drie manieren vinden:

Je kunt de zin vragend maken. De persoonsvorm komt dan vooraan te staan.

  • Jan loopt naar school.
  • Loopt Jan naar school?

Je kunt de zin in een andere tijd zetten. De persoonsvorm verandert dan mee.

  • Jan loopt naar school.
  • Jan liep naar school.

Je kunt de zin van getal veranderen (van enkelvoud naar meervoud of andersom). De persoonsvorm verandert dan mee.

  • Jan loopt naar school.
  • Jan en Joost lopen naar school.

Werkwoordelijk of naamwoordelijk gezegde

Het werkwoordelijk gezegde bevat alle werkwoorden in de zin. Er is sprake van een werkwoordelijk gezegde wanneer iemand iets doet. Er is sprake van een naamwoordelijk gezegde wanneer iemand iets is of wordt. Bij een naamwoordelijk gezegde moet er een koppelwerkwoord in de zin staan (zijn, worden, blijven, lijken, blijken, schijnen, heten, dunken, voorkomen). Zonder zo'n koppelwerkwoord is er geen naamwoordelijk gezegde. Het koppelwerkwoord koppelt het onderwerp van de zin aan het naamwoordelijk deel. Het naamwoordelijk deel is een kenmerk of eigenschap van het onderwerp en het naamwoordelijk deel zet je tussen vierkante haken.

Jan heeft zowel gisteren als vanmorgen het huis geschilderd.

  • Werkwoordelijk gezegde = heeft geschilderd

Jan is gisteren ziek geworden.

  • Naamwoordelijk gezegde = is [ziek] geworden.

Onderwerp

Het onderwerp van de zin kun je eenvoudig vinden door de volgende vraag te stellen: Wie/wat + persoonsvorm? Het antwoord hierop is het onderwerp van de zin.

Jan loopt nog maar eens een rondje door de tuin.

  • Wie/wat loopt? Jan loopt. Het onderwerp is hier dus Jan.

Let op: het onderwerp kan ook uit meerdere woorden bestaan:

Jan met de rode pet loopt nog maar eens een rondje door de tuin.

  • Wie/wat loopt? Jan met de rode pet.

Lijdend voorwerp

Het lijdend voorwerp kun je vinden door de volgende vraag te stellen: Wie/wat + persoonsvorm + onderwerp?

Jan geeft bloemen aan Marie.

  • Wie/wat geeft Jan? Jan geeft bloemen.

Bloemen is dus het lijdend voorwerp van deze zin.

Meewerkend voorwerp

Om het meewerkend voorwerp te vinden, stel je de volgende vraag: Aan wie/voor wie + werkwoordelijk gezegde + onderwerp (+ lijdend voorwerp)?

Jan geeft bloemen aan Marie.

  • Aan wie/voor wie geeft Jan bloemen? Het antwoord is: aan Marie. Aan Marie is hier dus het meewerkend voorwerp. 

Let op: soms staat er geen ‘aan’ of ‘voor’ in de zin. Je neemt dit dan ook niet mee in je antwoord:

Jan geeft Marie bloemen.

  • Aan wie/voor wie geeft Jan bloemen? Het antwoord is: Marie. Marie is hier dus het meewerkend voorwerp.

Voorzetselvoorwerp

Sommige werkwoorden brengen een vast voorzetsel met zich mee. Denk bijvoorbeeld aan denken aan, struikelen over, wachten op, condoleren met. Als een werkwoord in een zin inderdaad een vast voorzetsel met zich meebrengt, dan is het zinsdeel dat begint met dat voorzetsel het voorzetselvoorwerp.

Jan struikelt over het speelgoedautootje.

  • ‘Struikelen over’ is een vaste combinatie. Het zinsdeel ‘over het speelgoedautootje’ is hier het voorzetselvoorwerp.

Jan wordt gecondoleerd met het verlies van zijn opa.

  • ‘Condoleren met’ is een vaste combinatie. Het zinsdeel ‘met het verlies van zijn opa’ is hier het voorzetselvoorwerp.

Bijwoordelijke bepaling

De bijwoordelijke bepaling geeft meer informatie over dat wat in het gezegde wordt uitgedrukt. Een bijwoordelijke bepaling geeft antwoord op vragen als waar, wanneer, waaraan, waarbij, waardoor, hoe, hoe veel, hoe laat. Als je volgens de bovengenoemde volgorde alles hebt ontleed in een zin, dan zal je zien dat de bijwoordelijke bepalingen overblijven (slechts in zeldzame gevallen zal je nog te maken hebben met een overgebleven bijstelling of bepaling van gesteldheid).

Jan is gisteren om 5 uur opgestaan.

  • ‘Gisteren’ en ‘om 5 uur’ zijn hier de bijwoordelijke bepalingen.

Respectievelijk geven deze zinsdelen antwoord op de vragen ‘wanneer?’ en ‘hoe laat?’.

Let op: een bijwoordelijke bepaling kan lijken op een voorzetselvoorwerp. Bijwoordelijke bepalingen beginnen namelijk ook vaak met een voorzetsel. Geeft een voorzetsel een plaats aan, dan heb je te maken met een bijwoordelijke bepaling. Dit geldt ook wanneer een voorzetsel letterlijk wordt gebruikt in plaats van figuurlijk. Vergelijk de volgende zinnen maar eens:

  1. Jan wacht op de bus (wachten op = figuurlijk).
  2. Jan hangt aan je lippen (hangen aan = figuurlijk).
  3. Jan wacht op de bus (wachten op = letterlijk, Jan staat dus bovenop de bus te wachten).
  4. Jan hangt zijn jas aan de kapstok (hangen aan = letterlijk).

In de zinnen 1 en 2 hebben we te maken met een figuurlijke betekenis en daarom ook met een voorzetselvoorwerp. In de zinnen 3 en 4 hebben we te maken met een letterlijke betekenis en daarom met een bijwoordelijke bepaling. Zin 3 en 4 geven allebei een plaats aan en de zinsdelen beginnend met een voorzetsel geven antwoord op de vraag waar? (letterlijk: op de bus en aan de kapstok).

Bijstelling

De bijstelling vertelt iets extra’s over het ervoor genoemde zinsdeel. De bijstelling zelf is een zinsdeel zonder gezegde en staat direct achter het zinsdeel waar het naar verwijst. De bijstelling staat bijna altijd tussen twee komma’s. Bekijk de onderstaande zinnen maar eens ter verduidelijking:

  • Jan, een gewone jongen, staat elke dag vroeg op om zijn ouders te helpen.
  • Marie, het meisje dat bloemen kreeg van Jan, heeft een nieuwe vriend.

Bepaling van gesteldheid

De bepaling van gesteldheid wordt lang niet door elke docent en voor elke klas behandeld. In dit artikel zullen we de bepaling van gesteldheid daarom slechts kort bespreken. De bepaling van gesteldheid heeft twee functies: ze geeft informatie over het onderwerp of het lijdend voorwerp van de zin en ze geeft informatie over het gezegde van de zin.

Jan heeft gisteren de kast groen geschilderd.

  • Groen zegt iets over het lijdend voorwerp (de kast) en groen zegt iets over het gezegde (heeft geschilderd).

Jan zocht huilend naar zijn lievelingsknikker.

  • Huilend zegt iets over het onderwerp (Jan) en huilend zegt iets over het gezegde (zocht).

Video

In onderstaande video wordt het redekundig ontleden nog eens samenvattend uitgelegd.

 

Drie voorbeeldzinnen

Drie voorbeeldzinnen met redekundig ontleden

Tot slot vind je hieronder drie uitgewerkte voorbeeldzinnen en drie zinnen om zelf te ontleden. Succes!

Jan | twijfelde | vanmorgen | aan zijn kledingkeuze.

  • Persoonsvorm = twijfelde
  • Werkwoordelijk gezegde = twijfelde
  • Onderwerp = Jan
  • Lijdend voorwerp = <niet van toepassing>
  • Meewerkend voorwerp = <niet van toepassing>
  • Voorzetselvoorwerp = aan zijn kledingkeuze
  • Bijwoordelijke bepaling = vanmorgen
  • Bijstelling = <niet van toepassing>
  • Bepaling van gesteldheid = <niet van toepassing>

Marie | gaf | tijdens de relatie met Jan | grinnikend | een bos bloemen | aan Piet.

  • Persoonsvorm = gaf
  • Werkwoordelijk gezegde = gaf
  • Onderwerp = Marie
  • Lijdend voorwerp = een bos bloemen
  • Meewerkend voorwerp = aan Piet
  • Voorzetselvoorwerp= <niet van toepassing>
  • Bijwoordelijke bepaling = tijdens de relatie met Jan
  • Bijstelling = <niet van toepassing>
  • Bepaling van gesteldheid = grinnikend

Jan en Marie | zijn | de hele dag | snotterig | geweest.

  • Persoonsvorm = zijn
  • Naamwoordelijk gezegde = zijn [snotterig] geweest
  • Onderwerp = Jan en Marie
  • Lijdend voorwerp = <niet van toepassing>
  • Meewerkend voorwerp = <niet van toepassing>
  • Voorzetselvoorwerp = <niet van toepassing>
  • Bijwoordelijke bepaling = de hele dag
  • Bijstelling = <niet van toepassing>
  • Bepaling van gesteldheid = <niet van toepassing>

Nu is het jouw beurt! Kun jij de volgende zinnen redekundig ontleden?

  • Marie heeft drie uur geleden vijftien margrietjes geplant.
  • De beste vriend van Jan is geschiedenisdocent geweest.
  • Jans opa, een oude knar van 88, heeft aan Marie zijn stenenverzameling gegeven.
Bekijken als Rooster Lijst

4 Items

per pagina
Aflopend sorteren
Bekijken als Rooster Lijst

4 Items

per pagina
Aflopend sorteren