Gratis verzending vanaf 30 euro
Binnen 2 werkdagen in huis
Digitaal te lezen in de app
40.000+ leerlingen gingen je voor

Alles over de sociale kwestie

De sociale kwestie in Nederland (1870-1918) is het sociale vraagstuk over de slechte leef –en werkomstandigheden van arbeiders. De sociale kwestie was een gevolg van de industriële revolutie en leidde tot de eerste vormen van sociale wetgeving, nu kenmerkend voor onze verzorgingsstaat. Op deze pagina kun je alles lezen over de sociale kwestie.

Alles over de sociale kwestie

Video

Wil je alles weten over de sociale kwestie? Check dan onderstaande video van JORTgeschiedenis.

 

De sociale kwestie

De sociale kwestie

De industriële revolutie begon in Engeland rond 1750. De industriële samenleving die hier het gevolg van was, ontstond ook in Nederland in de 19e eeuw. Ook hier schoten fabrieken als paddenstoelen uit de grond en met deze fabrieken, ontstonden ook grote hoeveelheden arbeiders. Deze trokken voor hun werk massaal naar de steden, welke enorm groeiden. Door de komst van al die mensen ontstond er woningnood. Gezinnen woonden daardoor in veel te kleine kamers, kelders en krotten. De arbeiderswijken waren echte sloppenwijken, vaak zonder riolering en waterleiding.

Naast deze slechte leefomstandigheden waren er ook slechte en gevaarlijke werkomstandigheden voor de arbeiders. De fabrieken waren onveilig en onhygiënisch. Daarnaast was het aanbod van arbeid groter dan de vraag (er waren meer arbeiders dan werk), waardoor de fabrikanten lage lonen konden uitbetalen, de arbeiders lange werkdagen konden laten maken en ze onder slechte omstandigheden konden laten werken. De gemiddelde werktijd lag rond de 12 à 14 uur per dag en er waren geen veiligheidsvoorschriften, waardoor er veel (dodelijke) ongelukken gebeurden. Ook voor de kinderen was het gevaarlijk werk. Kinderen en vrouwen waren, door de lage lonen, gedwongen om mee te werken om het inkomen van de familie aan te vullen.

Er waren geen uitkeringen, dus wie ontslagen werd of een ongeluk kreeg, had een groot probleem. Ongeveer 60% van de Nederlandse bevolking leefde in armoede. Dit kwam ook door de grote werkloosheid, door het vervangen van arbeid door machines. Dit leidde tot een toenemende sociale kwestie.

Niet alleen de arbeiders maakten zich zorgen om dit probleem in de steden, ook de rijkere burgers erkenden het en noemden het de ‘sociale kwestie’. Maar zij rekenden niet alleen de slechte leef -en werkomstandigheden hier bij, maar voor hun vormde het gebrek aan beschaving van het ‘lagere’ arbeidersvolk ook een probleem.

Het Kinderwetje van Van Houten

Het Kinderwetje van Van Houten

In de Nederlandse samenleving van de 19e eeuw was kinderarbeid heel normaal. Maar waar de kinderen op het platteland relatief goed, veilig werk hadden, daar hadden de groeiende groep arbeiderskinderen in de steden het slecht. Rond 1860 werkten een half miljoen Nederlandse kinderen in fabrieken.

De liberalen die in de regering zaten, waren voorstanders van kinderarbeid, ondanks de slechte werkomstandigheden. Het was namelijk zo dat kinderen minder loon kregen, wat zorgde voor minder kosten voor de werkgever. Door zo min mogelijk kosten te maken, kon Nederland goed concurreren met het buitenland.

Na een onderzoek van de overheid werden de slechte werkomstandigheden van de kinderen in de fabrieken in de jaren '60 van de 19e eeuw eindelijk erkend. Er kwamen steeds meer tegengeluiden. In de jaren '70 kwam er ook een nieuwe liberale regering die een tegenstander was van kinderarbeid. Binnen deze regering was het uiteindelijk de liberale politicus Samuel van Houten die het Kinderwetje, naar hem vernoemd, heeft bedacht. Dit was het Kinderwetje van Van Houten.

In 1874 werd er op aandringen van Van Houten een wet aangenomen die het verbood om kinderen die jonger dan 12 waren, in dienst te hebben of te nemen. Ze mochten dus niet in fabrieken werken, maar wel thuis en op het land. Dit werd gedaan om jonge kinderen te beschermen voor zwaar werk, fabrieksongelukken en verwaarlozing. Het Kinderwetje was de eerste sociale wet in Nederland. Voor het eerst greep de overheid via sociale wetgeving in om de levensomstandigheden van kwetsbare burgers te verbeteren. Het werd echter bijna niet gecontroleerd of de wet werd nageleefd, waardoor kinderarbeid in de fabrieken toch bleef bestaan. Vanaf 1882 kwam er daarom een Arbeidsinspectie, die de fabrieken controleerde en eventueel boetes uitdeelde voor het niet naleven van de wet. 

Het socialisme en arbeiderspartijen

Het socialisme

De economische tegenstellingen in de maatschappij waren door de industrialisatie ook verscherpt. De arbeiders hadden niet mee geprofiteerd van de economische groei en het verschil tussen arm en rijk was hierdoor alleen maar groter geworden. De socialisten wonnen, met hun focus op gelijkheid en sociale rechtvaardigheid, veel arbeiders voor zich door de sociale kwestie. Met hun weerzin tegen een vrije markt en voorstander van overheidsingrijpen, stonden ze tegenover de liberalen, die juist de macht van de staat wilden beperken en streefden naar zoveel mogelijk vrijheid.

De socialist Ferdinand Domela Nieuwenhuis werd bij het aanhalen van sociale kwesties zeer belangrijk in Nederland. Hij gaf de arbeiders een stem, bemiddelde tussen de arbeiders en de burgers, hield toespraken en schreef over de sociale kwesties in zijn eigen tijdschrift. Ferdinand Domela Nieuwenhuis werd in 1888 ook lid van de Tweede Kamer voor de Sociaal Democratische Bond. Hij was de eerste socialist ooit die dit had bereikt. Hij werd daar echter gemeden door andere politici, waardoor hij drie jaar later weer uit de Tweede Kamer stapte. In plaats daarvan ging hij zich bezighouden met het organiseren van stakingen en het voeren van actie. De SDAP (sociaal-democratische arbeiderspartij), onder leiding van Pieter Jelles Troelstra, deed in 1894 wel mee aan de verkiezingen, met meer succes. Troelstra wilde dat er meer sociale wetgeving zou komen: de overheid moest het volk beschermen.

Vakbonden in opstand

Vakbonden

Het bleek moeilijk te zijn om die sociale wetgeving tot stand te brengen en de aandacht voor het probleem te vergroten. Het liberalisme had namelijk in deze tijd de overhand en deze stroming had een grote weerzin tegen een sterke rol van de overheid in de strijd tegen de armoede. De fabrikanten hadden ook ontzettend veel macht: arbeiders die zich verzetten, werden ontslagen. De wil van de fabrikant was wet. Om sterker te staan, verenigden de arbeiders zich in vakbonden om zo samen betere werk- en leefomstandigheden te eisen.

De opkomst van vakbonden en politieke partijen vergrootte de roep om sociale wetgeving. Steeds meer mensen vonden dat de overheid iets moest doen aan de sociale kwestie. In 1889 werd daarom de Arbeidswet aangenomen die inhield dat vrouwen en kinderen maximaal 11 uur per dag mochten werken. Ook werd het verboden op zondag te werken. In 1900 kwam er een definitief einde aan de kinderarbeid, met het aannemen van de leerplichtwet. Deze wet verplichtte kinderen van 6 tot 12 jaar tot het volgen van onderwijs.

In 1901 kwam er een ‘Ongevallen en Ziektewet’, maar deze had weinig effect. Na de grote Spoorwegstaking in 1903 besefte de regering dat de onrust niet zomaar weg zou gaan en besloot de sociale wetgeving uit te breiden. In 1911 kwam er een nieuwe arbeidswet. Voortaan mocht er maar hooguit 10 uur per dag gewerkt worden en maximaal 6 dagen in de week.

Deze wetten legden de basis voor de verzorgingsstaat die in de 20e eeuw stukje bij beetje werd uitgebreid.

Bekijken als Rooster Lijst

4 Items

per pagina
Aflopend sorteren
Bekijken als Rooster Lijst

4 Items

per pagina
Aflopend sorteren