Gratis verzending vanaf 30 euro
Binnen 2 werkdagen in huis
Digitaal te lezen in de app
40.000+ leerlingen gingen je voor

Het omslagstelsel en kapitaaldekkingsstelsel

Als je werkt, bouw je een pensioen op. Hierdoor krijg je geld uitgekeerd als je stopt met werken. Je kunt ervoor kiezen om eerder te stoppen met werken. Hierdoor krijg je eerder, maar ook een minder hoog pensioen. Pensioenen kunnen op twee manieren gefinancierd worden: met het kapitaaldekkingsstelsel of met het omslagstelsel. Hieronder kun je meer lezen over de verschillende soorten pensioenen.

Omslagstelsel en kapitaaldekkingsstelsel

Wat is het verschil tussen het omslagstelsel en het kapitaaldekkingsstelsel?

Verschillen

Als je stopt met werken ontvang je geen salaris meer. Je inkomen valt dan weg. Hierom is het verstandig om een pensioen op te bouwen. Dit is een vervangend inkomen dat je ontvangt als je stopt met werken. Nadat je stopt met werken krijg je periodiek, meestal weer iedere maand, een bepaald bedrag uitgekeerd. Hierdoor heb je ook geld te besteden als je stopt met werken. Er zijn twee verschillende soorten pensioenstelsels: het omslagstelsel en het kapitaaldekkingsstelsel.

Bij het omslagstelsel betalen alle mensen die op een bepaald moment werken het pensioen van alle mensen die op dat moment met pensioen zijn. Stel je voor dat de pensioenleeftijd in een land 65 jaar is. Iedereen die dan onder de 65 is en werkt, betaalt dan het pensioen van alle 65-plussers. Een voorbeeld van het omslagstelsel is de Algemene Ouderdomswet (AOW) in Nederland. Door de AOW krijgt iedereen in Nederland die de pensioenleeftijd bereikt maandelijks een basispensioen van ongeveer 70% van het minimumloon. Deze pensioenen worden betaald door de mensen die werken en dus nog niet met pensioen zijn.

In het kapitaaldekkingsstelsel spaart een werknemer zelf geld voor zijn of haar pensioen, en krijgt dit nadat hij of zij met pensioen gaat uitgekeerd. Een werknemer kan zelf bepalen hoeveel geld er opzij wordt gezet voor het pensioen. Bij het opbouwen van een pensioen betaal je terwijl je werkt een pensioenpremie. Je betaalt periodiek, vaak per maand, een bedrag aan een pensioenfonds of verzekeringsmaatschappij. Die gaat vervolgens met je ingelegde geld beleggen. Door het kopen van bijvoorbeeld aandelen probeert een pensioenfonds om winst te behalen, waardoor je ingelegde pensioengeld meer waard wordt. Dit geld krijg je dan uitgekeerd als je met pensioen gaat.

Is er bij pensioenen sprake van ruilen over de tijd?

Ruilen over de tijd

Als je ruilt over de tijd kies je ervoor om of in het heden of in de toekomst meer geld tot je beschikking te hebben. Je kunt er bijvoorbeeld voor kiezen om geld te sparen. Als je geld op je spaarrekening zet kun je dat nu niet gebruiken, maar heb je in de toekomst wel meer geld. In dit geval is er sprake van een negatieve tijdsvoorkeur. Je kiest ervoor om nu minder geld te kunnen besteden, en later meer. Andersom kun je er bij ruilen over tijd ook voor kiezen om geld te lenen. Je krijgt dan in het heden meer geld te besteden, maar moet dit later terugbetalen. In dit geval is er sprake van een positieve tijdsvoorkeur.

In het kapitaaldekkingsstelsel is er wel sprake van ruilen over tijd. Bij het opbouwen van een pensioen zet je geld opzij om dat later, nadat je met pensioen gaat, te gebruiken. Er is dus sprake van een negatieve tijdsvoorkeur: je zet geld opzij om dat later te gebruiken. Doordat je deze premie betaalt heb je in de jaren dat je werkt minder te besteden dan wanneer je geen pensioen zou opbouwen. Hier staat tegenover dat wanneer je met pensioen gaat je je pensioen krijgt uitgekeerd. Als je ervoor kiest om meer pensioenpremie te betalen, krijg je als je met pensioen gaat een hogere pensioenuitkering. Het gevaar hierbij is wel dat de beleggingen van de pensioenfondsen niet altijd succesvol zijn. Als de koers van aandelen sterk daalt, raken de opgespaarde pensioenen hun waarde kwijt. Pensioenfondsen kunnen dan een minder hoog pensioen uitkeren en moeten soms de premie verhogen.

Bij het omslagstelsel is er geen sprake van ruilen over tijd. Je zet geen geld opzij om dat later te gebruiken. In plaats hiervan is er sprake van intergenerationele solidariteit: de jongere generatie, de mensen onder de 65, betalen het pensioen van de oudere generatie, de mensen van 65 jaar en ouder. Aan de andere kant is er bij het kapitaaldekkingsstelsel geen sprake van intergenerationele solidariteit. Jongere generaties betalen daar niet voor de oudere generaties. In plaats hiervan spaart iedereen voor zijn of haar eigen pensioen.

Wat is het effect van het verhogen van de pensioenleeftijd?

Verhogen van de pensioenleeftijd

Een gevaar dat optreedt in het omslagstelsel is dat van vergrijzing. Als er in een land vergrijzing optreedt, stijgt het aantal ouderen in verhouding tot het aantal jongeren. In het omslagstelsel leidt dit ertoe dat een in verhouding kleiner aantal werkenden moet betalen voor de pensioenen van een in verhouding grotere hoeveelheid gepensioneerden. Een oplossing hiervoor is het verhogen van de pensioenleeftijd. Als mensen langer doorwerken betalen zij langer hun pensioenpremie en krijgen zij pas later hun pensioen uitgekeerd. De pensioenen blijven zo betaalbaar. Hieronder zie je een eenvoudig voorbeeld van het effect van het verhogen van de pensioenleeftijd:

Situatie 1

Situatie 1

In situatie 1 zijn er vijf werkenden van jonger dan 65 jaar en twee gepensioneerden van ouder dan 65 jaar. De vijf werkenden betalen in het omslagstelsel dan het pensioen van de twee gepensioneerden.

Situatie 2

Situatie 2

In situatie 2 zie je het effect van het verhogen van de pensioenleeftijd van 65 jaar naar 67 jaar. Bij een pensioenleeftijd van 65 jaar betalen vijf werkenden voor het pensioen van twee gepensioneerden. Als de pensioenleeftijd wordt verhoogd naar 67 jaar betalen zes werkenden voor het pensioen van een gepensioneerde. Het premiebedrag dat dan per werkende hoeft te worden betaald daalt dan. Er is een groter aantal werkenden om te betalen voor de pensioenen van een kleinere groep gepensioneerden. Het nadeel voor deze werkenden is dan wel dat zij langer door moeten werken.

Bij het kapitaaldekkingsstelsel is er geen last van vergrijzing. Iedere werkende betaalt voor zijn of haar eigen pensioen en de verhouding tussen het aantal ouderen en het aantal jongeren is hierbij dus niet belangrijk. Langer doorwerken en later met pensioen gaan in het kapitaaldekkingsstelsel heeft wel als voordeel dat er over een langere periode pensioen wordt opgebouwd en dat er minder lang pensioen hoeft worden uitgekeerd. Als iemand besluit om met pensioen te gaan op 67-jarige leeftijd in plaats van 65-jarige leeftijd leidt dit ertoe dat er twee jaar extra pensioenpremie wordt betaald, waardoor het pensioenbedrag dat wordt uitgekeerd hoger zal uitvallen.

Wat is het verschil tussen een waardevast en een welvaartsvast pensioen?

Waardevaste en welvaartsvaste pensioenen

Pensioenuitkeringen staan niet vast. Zij worden vaak jaarlijks verhoogd, waardoor gepensioneerden een hoger pensioen krijgen uitgekeerd. Hoe snel de pensioenen stijgen bepaalt of de pensioenen waardevast of welvaartsvast zijn.

Een waardevast pensioen stijgt mee met de inflatie. Als de prijzen in een land sneller stijgt dan de pensioenuitkeringen verliest het pensioen waarde. De koopkracht van het pensioen daalt dan: je kunt met je pensioen minder kopen. Om hiervoor te compenseren moeten de pensioenuitkeringen met de inflatie meestijgen. Als de inflatie bijvoorbeeld 2% is, moeten de pensioenen ook met 2% stijgen om waardevast te zijn. De koopkracht van het pensioen blijft dan gelijk: je kunt met je pensioen evenveel kopen. Een manier om te berekenen of een pensioen waardevast is is door de formule voor nominale en reële stijgingen te gebruiken. Je gebruikt dan het nominale pensioenbedrag en de inflatie.

Een welvaartsvast pensioen stijgt mee met de lonen. Als werkenden in een land een hoger loon krijgen, stijgt hun welvaart in enge zin. Om ervoor te zorgen dat gepensioneerden een gelijke stijging van welvaart krijgen, moeten hun pensioenen meestijgen met de stijging van de lonen. Als de lonen in een land gemiddeld met 5% stijgen, moeten de pensioenen ook met 5% stijgen om welvaartsvast te zijn. Als de lonen sneller stijgen dan de pensioenen kunnen werkenden in verhouding meer kopen dan gepensioneerden en stijgt hun welvaart sneller. Een welvaartsvast pensioen hoeft niet per se ook waardevast te zijn: dit hangt af van de inflatie. Als de lonen minder snel stijgen dan de inflatie, zijn zij niet waardevast. Pensioenen die gekoppeld zijn aan de loonstijging zullen dan ook niet waardevast zijn.

Video

Wil je nog een samenvatting op video zien over het omslagstelsel en het kapitaaldekkingsstelsel? Kijk dan onderstaande video van OsAcademie.

Bekijken als Rooster Lijst

4 Items

per pagina
Aflopend sorteren
Bekijken als Rooster Lijst

4 Items

per pagina
Aflopend sorteren

Ontvang exclusieve tips in het examenjaar

Graag helpen we jou in het examenjaar richting je diploma!
Zit jij in je examenjaar en wil jij slagen? Schrijf je dan in voor:

Exclusieve tips
De geheimen van het eindexamen
Een template voor jouw leerplanning
Dat extra zetje in de rug

Ik ben