Gratis verzending vanaf 30 euro
Binnen 2 werkdagen in huis
Digitaal te lezen in de app
40.000+ leerlingen gingen je voor

Consumenten- en producentensurplus

De welvaart die ontstaat in een markt wordt vaak gemeten aan de hand van het consumenten- en producentensurplus. De welvaart stijgt als het surplus hoger wordt. Als er sprake is van marktfalen zal het surplus en daarmee de welvaart dalen. Wil je weten hoe dit werkt? Lees dan snel verder.

Consumentensurplus en producentensurplus

Video

Wil je weten wat het consumentensurplus en producentensurplus is en hoe dit werkt? Kijk dan onderstaande video van Economie-Academy.

 

Wat is surplus?

Surplus

Hieronder zie je een voorbeeld van een vraag en aanbod grafiek:

Figuur 1

De evenwichtsprijs wordt hier € 25 per snelkoker. De verkochte hoeveelheid wordt dan 30.

De vraaglijn (Qv) geeft de betalingsbereidheid van consumenten weer. Bij een prijs van € 25 zijn er ook mensen die bereid waren geweest om bijvoorbeeld € 30 of € 40 te betalen. Dit hoeft niet, want de prijs is € 25. Een consument die bereid was geweest om € 40 voor een snelkoker te betalen houdt zo eigenlijk € 15 over. Dit geld wat consumenten overhouden omdat de prijs van een product lager is dat wat ze bereid zijn te betalen is het consumentensurplus. Het consumentensurplus is zo het gehele gebied tussen de lijn die de evenwichtsprijs aangeeft en de lijn die de betalingsbereidheid weergeeft. In de grafiek hieronder wordt het consumentensurplus aangegeven als het oranje gebied C.

Figuur 2

De aanbodlijn (QA) geeft aan voor hoeveel euro producenten bereid zijn om hun snelkokers te verkopen. De evenwichtsprijs van een snelkoker is € 25, maar er zijn ook producenten die bereid zijn om een snelkoker voor € 20 of € 15 te verkopen. Op deze manier ontstaat het producentensurplus. Als een producent die bereid is een snelkoker voor € 15 te verkopen, dit product ook voor € 25 kan verkopen, ontstaat er voor deze producent een surplus van € 10. In een grafiek is het producentensurplus het gehele gebied tussen de aanbodlijn en de lijn die de evenwichtprijs aangeeft. Hieronder is het producentensurplus weergeven als het groene gebied P.

Figuur 3

Het consumenten- en producentensurplus samen geven de totale welvaart weer die ontstaat door de productie en verkoop van snelkokers. In deze welvaart worden positieve en negatieve externe effecten niet meegenomen.

Hoe bereken je de grootte van het surplus?

Berekenen

Het totale surplus is het totaal van consumenten- en producentensurplus samen. Dit totaal kun je berekenen door eerst het consumentensurplus en producentensurplus apart te berekenen en die daarna dan bij elkaar op te tellen.

Figuur 3

Om in het bovenstaande voorbeeld het consumentensurplus te berekenen moet je de oppervlakte van de driehoek C uitrekenen. Deze oppervlakte kun je berekenen met de gebruikelijke formule voor het berekenen van de oppervlakte van een driehoek:

Oppervlakte van een driehoek = lengte × breedte × 1/2

De lengte van het vak van het consumentensurplus is 50 – 25 = 25. De breedte is 30 – 0 = 30.

C = 25 × 30 × 1/2 = € 375

De lengte van het vak van het producentensurplus is 25 – 10 = 15. De breedte is weer 30.

P = 15 × 30 × 1/2 = € 225

Het totale surplus wordt dan C + P = 375 + 225 = € 600. Dit is dan de bijdrage aan de welvaart van snelkokers als externe effecten niet worden meegerekend.

Hoe kan het surplus dalen door marktfalen?

Marktfalen

Bij marktfalen wordt het evenwicht tussen vraag en aanbod verstoord. Er wordt dan een andere prijs vastgesteld dan door vraag en aanbod tot stand zou zijn gekomen. Marktfalen kan worden veroorzaakt doordat de overheid bijvoorbeeld een minimumprijs of maximumprijs instelt. Een minimumprijs is een door de overheid vastgestelde prijs die hoger ligt dan de evenwichtsprijs. Het doel van een minimumprijs is om producenten te beschermen tegen lage prijzen die kunnen ontstaan door bijvoorbeeld grote concurrentie. Stel je voor dat de overheid in het eerder genoemde voorbeeld besluit om een minimumprijs van € 35 in te stellen voor snelkokers:

Figuur 4

In de oude situatie met een evenwichtsprijs van € 25 bestond het consumentensurplus uit de vakken A, B  en C. Het producentensurplus bestond uit D en E. Door de minimumprijs verandert deze situatie. Bij een prijs van € 35 zullen de consumenten in vak B en E besluiten om geen snelkoker meer te kopen. Zij zijn wel bereid om € 25 te betalen voor een snelkoker, maar niet om €35 te betalen. Het consumentensurplus daalt dan met vakken B en C:

C: BC 

Het producentensurplus verandert ook. Met de nieuwe, hogere prijs van € 35 zullen producenten meer snelkokers willen maken, omdat er bij gelijke kosten meer winst valt te maken. Hierdoor stijgt het producentensurplus met B. Vak E valt weg: doordat de gevraagde hoeveelheid daalt, kunnen er maar 20 snelkokers verkocht worden in plaats van de 30 snelkokers in de uitgangssituatie.

P: +B, E

Het totale surplus neemt dan af:

C: BC
P: +B, E

Totaal: CE

Vak B verdwijnt bij het consumentensurplus, maar blijft wel deel uitmaken van het totale surplus, omdat het erbij komt bij het producentensurplus. Het totale surplus neemt dan af met de oppervlakte van vakken C en E samen.

Door het instellen van een minimumprijs ontstaat er een overschot van snelkokers: de gevraagde hoeveelheid snelkokers is 20, en de aangeboden hoeveelheid is 50. Het overschot bedraagt dan 50 – 20 = 30 snelkokers. Als de overheid de minimumprijs in een vrije markt in stand wil houden zal de overheid dit overschot moeten opkopen. De totale kosten van het opkopen van 30 snelkokers bedragen bij een prijs van 35 euro: 30 × 35 = € 1.050.

Een maximumprijs werkt op dezelfde manier als een minimumprijs, met als verschil dat de maximumprijs lager zal liggen dan de evenwichtsprijs. Daar waar een minimumprijs is gericht op het beschermen van producenten is een maximumprijs gericht op het beschermen van consumenten. Door een prijs vast te stellen die lager is dan de evenwichtsprijs zal een product voor meer consumenten betaalbaar worden. Hierdoor ontstaat dan wel een tekort. De aangeboden hoeveelheid zal bij een lagere prijs dalen, doordat producenten hun product niet willen verkopen voor een lagere prijs. De gevraagde hoeveelheid zal bij een lagere prijs juist stijgen.

Wat is het verschil tussen prijsdiscriminatie en prijsdifferentiatie?

Prijsdiscriminatie

Sommige mensen zijn bereid om meer te betalen voor een product dan andere mensen. Maar bij een evenwichtsprijs betalen alle consumenten dezelfde prijs voor een product. Sommige consumenten houden dan eigenlijk geld over: het consumentensurplus. Als producenten meer willen verdienen kunnen ze dan proberen om de consumenten die bereid zijn meer te betalen voor het product dan nodig ook daadwerkelijk meer te laten betalen. Dit kan een producent op twee manieren voor elkaar krijgen: door prijsdiscriminatie en prijsdifferentiatie.

Bij prijsdiscriminatie vraagt een producent verschillende prijzen voor hetzelfde product. Denk bijvoorbeeld aan treinreizen tussen Amsterdam en Groningen. Bij prijsdiscriminatie zal de NS bijvoorbeeld een lagere prijs vragen aan jongeren of ouderen. Mensen die niet in deze categorieën vallen betalen dan een hogere prijs, waardoor zij minder surplus overhouden. Zo betalen verschillende groepen mensen een verschillende prijs voor dezelfde treinrit tussen Amsterdam en Groningen. Producenten kunnen hun consumenten indelen in verschillende categorieën, waarbij ze ervan uitgaan dat sommige groepen consumenten een lagere betalingsbereidheid hebben dan anderen. Kortingen voor jongeren en ouderen zijn hiervan een voorbeeld.

Bij prijsdifferentiatie past een producent een product aan en vraagt er dan een andere prijs voor. Bij treinreizen gaat het dan bijvoorbeeld om 1e en 2e klas tickets, of kortingen voor reizen buiten de spits. De consument krijgt dan een iets ander product en betaalt daar ook een andere prijs voor. Mensen met een hogere betalingsbereidheid zullen eerder een 1e klas ticket of een kaartje voor in de spits kopen. De NS ontvangt dan van sommige reizigers een hogere prijs voor een treinkaartje dan van anderen.