Examen Management en Organisatie VWO

Samenvatting
Examentips
Oude examens

Kun jij de verschillende ondernemingsvormen benoemen en ben jij al in staat om een financieel beleid te doorgronden? Begrijp jij hoe organisaties activiteiten financieren? Op deze pagina kun je alles lezen over het examen Management en Organisatie VWO.

De examenstof

Het examen Management en Organisatie VWO 2018 bestaat uit een aantal onderdelen, namelijk:

1. Financiering van activiteiten

Dit onderdeel begint met een aantal basiszaken die je moet kennen over rechtsvormen. Je dient alle rechtsvormen te kennen, zoals eenmanszaak, vennootschap onder firma en BV. Je moet hierbij begrijpen hoe het eigendom en de aansprakelijkheid zijn geregeld per rechtsvorm. Bij sommige rechtsvormen is tussenkomst van een notaris noodzakelijk. Je moet weten bij welke. Hetzelfde geldt voor de belastingregels. Deze verschillen over de rechtsvormen. In sommige vormen dient het bestuur daarnaast verantwoording af te leggen aan leden of aandeelhouders. Zorg dat je per rechtsvorm dit soort details kent.

Op de vermogensmarkt kunnen particulieren en organisaties geld aantrekken. Zorg hierbij dat je het verschil kent tussen de geldmarkt en de kapitaalmarkt. Aan de vraagzijde en aanbodzijde van de vermogensmarkt staan verschillende spelers. Ieder met een eigen belang. Je moet dit speelveld kennen en begrijpen. Een belangrijke plek voor bedrijven om geld aan te trekken is de beurs. Je moet weten hoe de beurs werkt, hoe een beursgang werkt en wat dividend is. Zorg daarnaast dat je de intrinsieke waarde van een aandeel kunt bepalen.

Om lang vreemd vermogen aan te trekken is het mogelijk een lening aan te gaan. Je moet hierbij weten hoe een hypothecaire lening, obligatielening en onderhandse lening werkt. Bij hypothecaire leningen is het belangrijk de verschillen te kennen tussen een lineaire hypotheek, een annuïteitenhypotheek en een spaarhypotheek. Belangrijk is te weten hoe aflossing en rente zich in elke vorm tot elkaar verhouden. Een lening kan ook worden aangegaan door obligaties uit te brengen. Of rechtstreeks tussen partijen via een onderhandse lening. Zorg dat je de verschillen kent tussen aandelen en obligaties. En tussen obligaties en een onderhandse lening.

Om kort vreemd vermogen aan te trekken zijn er verschillende mogelijkheden die je op het examen moet kennen. Bijvoorbeeld leverancierskrediet en afnemerskrediet. Bij de eerste vorm krijg je uitstel van het betalen van een rekening. Bij de ander betaal je vooraf. Kort krediet kan ook worden verkregen via de rekening-courant. Dit noemen we in de volksmond ook wel ‘rood staan’. Om de kosten van een aankoop niet in één keer te hoeven dragen, is het ook mogelijk om te leasen. Zorg dat je het verschil kent tussen operational en financial lease.

In alle gevallen waarbij vreemd vermogen wordt aangetrokken, wordt er interest (ofwel rente) gevraagd. Belangrijk op het examen M&O is om te weten hoe je moet rekenen met rente over de tijd.

2. Financieel beleid

Het onderdeel financieel beleid kijkt naar commerciële en niet-commerciële organisaties. Bij niet-commerciële organisaties moet je de rol van onder andere de penningmeester begrijpen. Niet-commerciële organisaties moeten verder een liquiditeitsbegroting en exploitatierekening opstellen. Op het examen moet je in staat zijn beiden te kunnen lezen en begrijpen. Ook moet je in staat zijn om een balans op te stellen. Commerciële organisaties stellen vaak meer interne financiële overzichten op. Zorg dat je weet welke dit zijn en dat je deze kunt lezen.

Bij commerciële organisaties moet je verschillende waarderingen kunnen bepalen. Je moet het verschil tussen de technische en economische voorraad kennen. De economische voorraad moet je ook kunnen berekenen. Let op dat je het verschil kent tussen FIFO en LIFO. Ook moet je kunnen omgaan met de vaste verrekenprijs. Een ander onderwerp is de winstopslagmethode (bruto en netto). Belangrijk is hierin te weten hoe je de toegevoegde waarde en verkoopprijzen berekent. Daarnaast moet je de voor- en nacalculatorische nettowinst kunnen berekenen.

Bedrijven kopen vaak duurzame productiemiddelen die over een langere tijd worden gebruikt. De afschrijvingen daarvan moeten over meerdere jaren worden verspreid. Je moet op het examen deze afschrijvingskosten kunnen berekenen. Om de kosten van duurzame productiemiddelen verder in te kunnen schatten is het goed om te weten hoe om te gaan met aanschafkosten en complementaire kosten. Dit totaal kun je afzetten tegen gederfde interest over spaargeld, welke ook als ‘kosten’ kunnen worden gezien. Zorg dat je naast vaste kosten ook met variabele kosten om kunt gaan en break-even analyses kunt maken.

Het laatste onderwerp in dit onderdeel is het financiële beleid bij commerciële industriële ondernemingen. Je moet weten wat toegestane kosten zijn en hoe je het prijs- en efficiencyverschil kunt berekenen. Ook moet je in dit kader met directe en indirecte kosten kunnen omgaan. Zorg dat je weet hoe je de standaardkostprijs kunt berekenen. Bijzonder bij industriële ondernemingen zijn fabricagekosten. Je moet de fabricagekostprijs en commerciële kostprijs kunnen berekenen. Maar ook het nacalculatorisch bedrijfsresultaat kunnen bepalen bij homogene en heterogene productie.

3. Externe financiële verslaggeving

In het laatste onderdeel is het belangrijk om het verschil te kennen tussen interne en externe verslaggeving. De extern gepubliceerde jaarrekening dient te worden gecontroleerd door externe accountants. Deze voorzien met een accountantsverklaring een stempel op het jaarverslag, waarmee wordt aangegeven dat deze betrouwbaar is.

Verslaggeving door commerciële organisaties kent ten minste een balans. Zorg dat je de posten op deze balans en het verschil tussen debet en credit kent. Onderdelen zijn onder andere (im)materiële vaste activa, financiële activa, voorraad, passiva, voorzieningen, kort- en langlopende schulden. Daarnaast moet je weten wat een winst- en verliesrekening is. Om de liquiditeit van een bedrijf te kunnen meten moet je de current ratio, quick ratio, solvabiliteit, rentabiliteit en cashflow kunnen berekenen.

Het examen Management en Organisatie VWO

Management & Organisatie gaat over het functioneren van organisaties. Op het examen Management & Organisatie VWO 2018 komen drie hoofdonderwerpen terug. Het examen bestaat uit open en meerkeuzevragen over deze onderwerpen. Hieronder leggen we uit wat voor vragen je kunt verwachten.

Er komen op het examen veel rekenvraagstukken terug. Zorg dat je goed met percentages kunt rekenen, bijvoorbeeld om de rente te berekenen. Zorg dat je ook de formules voor het berekenen van current ratio, quick ratio, solvabiliteit, rentabiliteit en cashflow kent.

Andere vragen gaan rechtstreeks over de begrippen. Leer de begrippen daarom goed. Laat je eventueel overhoren door een klasgenoot. Daarnaast komt het ook voor dat je begrippen in een context moet plaatsen. Probeer goed te letten op de relatie van de begrippen in combinatie met een groter onderwerp.

Hoe kunnen wij jou helpen bij het eindexamen?

Wij geloven dat iedereen kan slagen voor het eindexamen. Om jou te helpen goed voorbereid het examen in te gaan, hebben wij de volgende drie hulpmiddelen voor jou:

De examenperiode is de meest stressvolle tijd van de middelbare school. Maar als jij onze samenvatting goed doorneemt, veel oefenvragen maakt en onze examentips leest, dan ga jij straks slagen voor het eindexamen!

3 Items

per pagina
Aflopend sorteren
  1. Samenvatting M&O (VWO) €12

    Van € 9,00

    Naar € 15,00

  2. Oefenboek M&O (VWO) €16
    € 16,00
  3. Samenvatting + Oefenboek M&O (VWO) €26
    € 26,00 Normale prijs € 28,00

3 Items

per pagina
Aflopend sorteren