Geschiedenis Eindexamen HAVO 2018

Samenvatting
Examentips
Oude examens

Kun jij de Geschiedenis over de tijd in context plaatsen? Ken jij de belangrijke gebeurtenissen uit de Nederlandse geschiedenis? Op deze pagina kun je alles lezen over het Geschiedenis eindexamen HAVO.

De examenstof

Het eindexamen Geschiedenis HAVO 2018 bestaat uit een aantal onderdelen, namelijk:

1. De tien tijdvakken

Het eerste onderdeel gaat in op tien tijdvakken. Van jagers en boeren tot nu. Hieronder geven we per tijdvak aan wat je moet kennen.

Tijdvak 1: Tijd van jagers en boeren

Dit is de periode rond 3000 voor Christus. Je moet weten wanneer de homo sapiens ontstonden en hoe de rolverdeling bij jagers en verzamelaar in elkaar stak. Ook moet je weten hoe landbouw en landbouwsamenlevingen ontstonden en zich verspreidden. De eerste stedelijke gemeenschappen ontstonden rond 3500 – 3000 voor Christus in de Vruchtbare Halvemaan. Belangrijk is te weten welke oorzaken deze sedentaire revolutie had. Ook ontstond hierbij hiërarchie en een arbeidsverdeling onder de bevolking. Rond 3100 ontstond de eerste staat ter wereld: het Egyptische rijk.

Tijdvak 2: Tijd van Grieken en Romeinen

Dit is de periode tussen 3000 voor Christus en 500 na Christus. Je moet weten hoe het wetenschappelijk denken en denken over burgerschap en politiek in de Griekse stadstaat ontstond. Het begrip democratie is hierin belangrijk, net als het denken van filosofen zoals Socrates en Plato. Ook moet je weten hoe de Grieks-Romeinse cultuur ontstond en het Romeinse rijk zich verspreidde. Belangrijk is onder andere te weten hoe de oorlogsvoering, aansturing en cultuur van de Romeinen werkte. Je moet daarnaast de opkomst van de monotheïstische godsdiensten kunnen beschrijven.

Tijdvak 3: Tijd van monniken en ridders

Dit is de periode van 500 tot 1000 na Christus. Ook wel de vroege middeleeuwen genoemd. Je moet hierbij weten hoe het christendom zich over Europa verspreidde. In dit tijdvak moet je ook de verspreiding van de islam kunnen beschrijven. Zorg dat je weet naar welke gebieden de islam zich uitbreidde. In Europa ontstonden hofstelsels als kleine eigen economieën. Deze vervingen het netwerk van steden van de Romeinen. De hoffen werden zelfvoorzienend. Ook maakte de Romeinse manier van aansturing plaats voor een feodaal stelsel (ook wel het leenstelsel genoemd). Zorg dat je de overeenkomsten en verschillen tussen het feodaal stelsel en hofstelsel kent.

Tijdvak 4: Tijd van steden en staten

Dit is de periode van 1000 tot 1500 na Christus. Ook wel de late middeleeuwen genoemd. Je moet in dit onderdeel de opkomst van handel en ambacht kunnen beschrijven. Ook kwam de geldeconomie weer op. Stedelijke burgerijen en zelfstandige steden werden opgericht. Daarnaast gingen mensen zich toeleggen op een specifiek beroep. Een ambacht. Zorg dat je weet hoe ambacht tot efficiëntie, kwaliteitsverbetering en lagere prijzen leidde. Rond deze tijd ontstond ook een openlijke strijd tussen vorsten en geestelijke leiders. Zorg dat je de Investituurstrijd kent. Ook moet je de kruistochten kennen. Als laatste onderdeel moet je het proces van centralisatie kennen, waarmee vorsten hun macht uitbreidden.

Tijdvak 5: Tijd van ontdekkers en hervormers

Dit is de periode tussen 1500 en 1600. Ook wel de renaissancetijd genoemd. In deze tijd veranderde het beeld dat mensen van zichzelf en de wereld hadden. Onder andere door de ontdekkingstochten. Je moet weten waarom mensen in deze tijd op ontdekkingstocht gingen. Ook moet je de belangrijkste ontdekkingsreizigers kennen. Ook moet je begrijpen hoe het wetenschappelijk denken veranderde en wat de relatie is met de oudheid. Het rooms-katholieke geloof kreeg een protestantse afsplitsing, de reformatie genoemd. Ook hier moet je de belangrijkste personen kennen. Gedurende deze periode begon ook ‘Nederland’ zich te vormen. Zorg dat je de periode van Karel V tot de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden goed kent.

Tijdvak 6: Tijd van regenten en vorsten

Dit is de periode tussen 1600 en 1700. Centraal staat het streven naar absolute macht. Dit moet je met name voor Frankrijk kennen. Ook moet je weten in welke opzichten de Nederlandse Republiek floreerde. Daarnaast ontstond er een eerste vorm van wereldwijde handel. Met name de rol van de Verenigde Oost-Indische en West-Indische Compagnie zijn hierin belangrijk. Tegelijk ontstond er een wetenschappelijke revolutie waarin de kijk van de mens op de wereld opnieuw veranderde. Het empirisme kwam op en vele wetenschappelijke doorbraken kwamen in deze tijd naar voren.

Tijdvak 7: Tijd van pruiken en revoluties

Dit is de periode tussen 1700 en 1800. Je moet weten in welke opzichten er sprake was van verlichting. Bijvoorbeeld in godsdienst, economie, politiek en sociale verhoudingen. De verlichting zorgde voor aanpassingen in aansturing van de bevolking, waarmee de macht verschoof richting het volk. Terwijl wereldwijd het aantal koloniën uitbreidde, ontstond het eerste verzet tegen het houden van koloniën. Tegen het einde van de eeuw ontstonden de eerste revoluties tegen de absolute (over)heersers. In Frankrijk kwam Napoleon aan de macht. Tevens werd Amerika onafhankelijk van de Britten.

Tijdvak 8: Tijd van burgers en stoommachines

Dit is de periode tussen 1800 en 1900. Ook wel de industrialisatietijd genoemd. Je moet weten hoe de landbouwstedelijke samenleving veranderde in een industriële samenleving. Zorg dat je de transportrevolutie en agrarische revolutie kent. Er kwam tegelijk aandacht voor sociale kwesties, zoals de leefomstandigheden van arbeiders. Verschillende groeperingen begonnen zich te emanciperen. De maatschappij werd steeds democratischer en er ontstonden verschillende stromingen. De industrialisatie leidde ook tot het modern imperialisme. Zorg dat je deze samenhang kent.

Tijdvak 9: Tijd van wereldoorlogen

Dit is de periode tussen 1900 en 1950. De eerste helft van de 20e eeuw. Je moet hierbij de aanleiding tot de Eerste Wereldoorlog kennen en weten welke partijen aan deze oorlog deelnamen. In deze oorlog werd voor het eerst gebruikgemaakt van massavernietigingswapens. Ook is het belangrijk te weten hoe de Eerste Wereldoorlog eindigde en wat de gevolgen waren. In de tussenperiode tussen de eerste en tweede wereldoorlog moet je weten wat het verband is tussen de economische situatie en de stijging in de populariteit van totalitaire ideeën en fascisme. Zorg dat je weet hoe propaganda en communicatiemiddelen hierin een rol speelden. Je moet weten hoe dit uiteindelijk uitmondde in de Tweede Wereldoorlog. Zorg dat je weet wat de gevolgen van deze oorlog waren voor Nederland en Joden in het bijzonder.

Tijdvak 10: Tijd van televisie en computer

Dit laatste tijdvak gaat in op de periode vanaf 1950. De tweede helft van de 20e eeuw. Je moet in deze context snappen wat de geopolitieke gevolgen waren van de Tweede Wereldoorlog. Ook moet je het proces van dekolonisatie kunnen beschrijven voor de westerse landen. De wereld werd verdeeld in ideologisch verschillende blokken die tot een gespannen wapenwedloop leidde tussen oost en west. Je moet verder begrijpen hoe de consumptiemaatschappij en informatiemaatschappij ontstonden. En wat de gevolgen waren van ontzuiling. Ook de eenwording van Europa en immigratievraagstukken staan centraal.

2. Historische context: De republiek der Zeven Verenigde Nederlanden

In deze historische context komen drie centrale vragen terug over de periode 1515 – 1648. Je moet weten waarom er een opstand uitbrak in de Nederlanden, hoe de Republiek ontstond en hoe de Gouden Eeuw ontstond.

Waardoor brak er een opstand uit in de Nederlanden?

Voor de eerste vraag is het belangrijk te weten dat Nederland in 1515 door koning Karel V werd geregeerd. Daaronder vielen 17 vrij zelfstandige gewesten, zonder eenheid. Karel V voerde een centralisatiepolitiek door, die dit doorbrak. Je moet weten wat er onder deze centralisatiepolitiek viel. Tegelijkertijd splitsten de protestanten zich van de katholieken af. Je moet weten hoe en waarom deze Reformatie tot stand kwam. Koning Karel V (katholiek) stelde als gevolg de vervolging van protestanten in.

Na Karel V kwam zoon Filips II aan de macht, die zijn halfzus Margaretha van Parma aanstelde als landvoogdes. De centralisatiepolitiek en godsdienstpolitiek werden doorgezet, maar minder streng. Hierdoor voelden de Calvinisten zich gesterkt openlijk actie te voeren. Je moet hierbij vooral de Beeldenstorm kennen. Als gevolg werd hertog Alva door Filip II met een leger naar Nederland gestuurd. Met zijn Raad van Beroerten werden opstandelingen zwaar gestraft. Dit vergrootte de kloof tussen de edelen en Filips II. Stadhouder Willem van Oranje vluchtte naar Duitsland en riep op tot een opstand. Deze opstand resulteerde in de Tachtigjarige Oorlog.

Waardoor resulteerde de opstand in het ontstaan van de Republiek?

Willem van Oranje probeerde andere Gewesten aan zijn zijde te krijgen en de opstand te steunen. Deze volgden echter niet. Belangrijk is te weten wat leidde tot de terugtrek van het Spaanse leger en de Pacificatie van Gent. Belangrijk is ook te weten dat over de opvolgende jaren tussen 1576 en 1581 Gewesten zich meerdere malen als unies verbonden en afsplitsten. De opstandige Gewesten zetten koning Filips II af en zochten meerdere jaren naar een nieuwe koning. Er werden geen geschikte kandidaten gevonden. In 1584 werd Willem van Oranje vermoord.

In 1585 namen de Spanjaarden Antwerpen weer in. Als reactie sloten Holland en Zeeland de Schelde af, waardoor de handel in Antwerpen stil kwam te liggen. Amsterdam groeide hierdoor uit tot het centrum van de Europese handel. Omdat Spanje met meerdere landen in oorlog was, kon het zich niet volledig richten op Nederland. Na verslagen te worden door Engeland trok Spanje zich terug. De Gewesten onder de Unie van Utrecht waren hierdoor in staat zich verder te verenigen. Zonder vorst, maar als republiek. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.

Waardoor ontstond in de Republiek de Gouden Eeuw?

Het uitgroeien van Amsterdam tot economisch centrum zorgde voor economische groei in Holland en Zeeland. Een stroom aan immigranten uit omringde gebieden zorgde voor voldoende arbeiders. Op het platteland kon landbouw commercialiseren en specialiseren. Kooplieden in Amsterdam konden landbouwproducten via de haven afzetten naar het buitenland. De internationale handel zorgde weer voor activiteiten op andere vlakken. Zoals de oprichting van de Amsterdams beurs en het floreren van de stapelmarkt. Je moet onder andere weten hoe de VOC opereerde.

De kooplieden/regenten kregen veel macht. Belangrijk is te weten hoe de republiek werd aangestuurd door de regenten. Je moet onder andere de Staten-Generaal en de rol van de landsadvocaat kennen. Ondanks dat de Nederlanden nu een republiek was, was niet iedereen hier blij mee. Je moet in dat kader de standpunten van de prinsgezinden en staatsgezinden kennen.

3. Historische context: Duitsland

In deze historische context komen drie centrale vragen terug over de periode 1871 – 1918 in Duitsland. Je moet weten hoe het Duitse Keizerrijk werd gevormd en ten onder ging. En wat dit voor het Europese machtsevenwicht betekende. En hoe wat de gevolgen waren van het nationaal-socialisme voor Europa en Duitsland.

De vorming van het Duitse Keizerrijk en het gevolg voor het Europese machtsevenwicht

Het is belangrijk te weten dat Duitsland voor 1870 bestond uit veel losse kleine staatjes. Tot de minister-president van Pruisen (Otto von Bismarck) het land verenigde in de Noord-Duitse Bond. Frankrijk was tot dan de grootste macht in Europa en niet blij met deze opkomst. Het gevolg was een Frans-Duitse oorlog in 1870-1871. Frankrijk werd verslagen en Duitsland riep zichzelf uit als Keizerrijk. De overige Duitse staten sloten zich aan en het land werd sterk op militair, economisch en politiek gebied.

Doordat Duitsland werd omringd door grootmachten, sloot keizer Wilhelm I bondgenootschappen in Europa. Dit verstoorde het bestaande machtsevenwicht. Zijn opvolger Wilhelm II veranderde de politiek naar meer imperialisme. Eerst overzees en later richting Oost-Europa. Deze ambities gingen gepaard met economische en militaire groei. Dit baarde andere grootheden zorgen. Toen Oostenrijk-Hongarije Servië de oorlog verklaarde, trok deze Duitsland hierin mee. Dit was het gevolg van de onderlinge bondgenootschappen in Europa. Je moet hierbij weten dat de Triple Entente tegenover de Centralen kwamen te staan.

Belangrijk is verder om te weten hoe de Eerste Wereldoorlog op hoofdlijnen verliep. Onder andere de Slag bij de Marne, loopgraven, moderne wapens en de duikbotenoorlog zijn belangrijke aspecten. In 1918 bleek doorvechten voor de Duitsers zinloos. Duitsland gaf zich over.

De factoren die leidden tot de ondergang van de Weimarrepubliek

In de periode 1919 – 1933 kwam de Weimarrepubliek in moeilijk vaarwater, wat uiteindelijk leidde tot de ondergang van de Republiek. Het is onder andere belangrijk te weten wat de Spartakusopstand is en hoe de politieke verhoudingen in de Republiek lagen. Daarnaast moet je weten welke afspraken in het Verdrag van Versailles werden opgenomen. Afspraken die de republiek onder grote druk zette en tot spanningen onder de bevolking leidden. Het gevolg van de herstelbetalingen leidde uiteindelijk tot hyperinflatie.

Initieel probeerde Amerika de Weimarrepubliek financieel te ondersteunen met een lening. Echter door de beurskrach in Amerika, werd dit gestopt. De Weimarrepubliek werd hard getroffen. Het wantrouwen onder de bevolking steeg. Je moet weten dat dit tot de opkomst van extreemrechtse bewegingen leidde. Hitler en de NSDAP vonden dat Duitsland in ere moest worden hersteld. Belangrijk hierbij is de Rijksdagbrand. Dit gaf aanleiding voor Hitler om de communistische partijen de schuld te geven en politiek op te ruimen. Hitler benoemde zich tot rijkskanselier en vormde Duitsland langzaam om tot totalitaire staat. Na de dood van president Von Hindenberg, nam Hitler deze rol over en werd alleenheerser.

De gevolgen van het nationaal-socialisme voor Duitsland en Europa

De alleenheerschappij van Hitler leidde tot indoctrinatie van het volk door middel van propaganda. Het nationaal-socialisme werd de Rijkscultuur. Deze was gericht op het creëren van een gemeenschapsgevoel. Gevolgen die je moet kennen zijn het opdelen van de bevolking in groepen. Bijvoorbeeld gesorteerd op ras, geloof of seksuele voorkeur. Daarnaast werden concentratiekampen opgericht voor politieke tegenstanders. Het enige echte ras was het Arische ras. Vooral Joden werden als slecht afgeschilderd. Dit leidde tot Jodenhaat, Jodenvervolging en uiteindelijk uitroeiing.

Onder Hitler verbeterde de economie, werd een groot leger opgebouwd en vond veel industrialisatie plaats. Na de heropbouw van Duitsland richtte Hitler zich op het verruimen van de leefruimte van het Arische ras. Je moet weten hoe Hitler in deze jaren omringende landen aan het ‘Duitse Rijk’ toevoegde.

In 1939 viel Duitsland Polen aan, waarna Engeland en Frankrijk de oorlog aan Duitsland verklaarden. Door onderlinge verbondschappen werd dit een oorlog tussen de as-mogendheden en de geallieerden. Je moet weten hoe Duitsland ook in oorlog kwam met de Sovjet-Unie en er op twee fronten tegelijkertijd werd gestreden. De oorlog kwam in 1945 tot een einde toen de Sovjet-Unie en de geallieerden Europa bevrijdden van de Duitsers.

4. Historische context: Koude Oorlog

In deze historische context komen drie centrale vragen terug over de periode 1945 – 1991 in Europa. Je moet weten hoe Europa werd verdeeld in ideologische blokken. Hoe de Koude Oorlog verliep en waarom het niet tot een directe oorlog leidde. Daarnaast moet je weten welke factoren ervoor zorgden dat de spanningen afnamen.

De verdeling van Europa in ideologische blokken

Het belangrijkste punt van de eerste vraag is te weten wat de verschillen zijn tussen het communisme en kapitalisme. Je moet dit op politiek, economisch en sociaal niveau begrijpen. Daarnaast moet je begrijpen hoe Europa in ‘Oost’ en ‘West’ werd opgedeeld en welke landen waar bij hoorden.

Het westen vond de communistische manier een bedreiging voor de vrije wereld. Tegelijk vond de Sovjet-Unie de inzet van kernbommen in Japan een bedreiging. Beide kampen vertrouwden elkaar niet, bouwden grote legers en nucleaire arsenalen uit en gebruikten de media om de ander te bekritiseren. Belangrijke begrippen die je moet kennen zijn de Truman-doctrine, het Marshallplan en de containment politiek. Ook moet je snappen hoe en waarom de NAVO en het Warschaupact werden opgericht.

Kritieke momenten in de Koude Oorlog die niet tot militaire confrontatie leidden

De Koude Oorlog leidde onder andere tot de bouw van de Berlijnse Muur en het aanhouden van het IJzeren gordijn. Dit leidde tot het zichtbaar toenemen van de spanningen. Je moet de verschillende kritieke momenten uit de Koude Oorlog kennen. Een daarvan is de Cubacrisis. Belangrijk hierbij is te weten wat de aanleiding was en waardoor het conflict werd opgelost.

Waardoor namen de spanningen af?

De Cubacrisis werd als keerpunt gezien in het afbouwen van de spanningen. Er werden afspraken gemaakt over het stoppen van de wapenwedloop en afbouwen van het wapenarsenaal. In de Sovjet-Unie ontstond langzamerhand een tegengeluid ten aanzien van het communistisch beleid in de satellietstaten. Terwijl de wapenarsenalen werden afgebouwd, raakte de Sovjet-Unie in de jaren tachtig in economische problemen. Hervormingen in het communistisch systeem maakten meer inspraak van de bevolking mogelijk. Dit leidde tot een verdere afbreuk van het communisme in de satellietstaten. In 1989 viel de Berlijnse Muur en stortte het Oostblok in. Oost- en West-Duitsland werden herenigd. Met de val van het communisme verschoof de machtsverhouding naar de Verenigde Staten en namen de spanningen verder af.

Het Geschiedenis eindexamen HAVO

Geschiedenis is de wetenschap die het verleden onderzoekt. Hiermee wordt inzicht verkregen in culturen en volken uit het verleden. Het Geschiedenis eindexamen HAVO bestaat uit drie historische contexten verdeeld over 10 tijdvakken. Op het examen kun je open vragen over deze contexten verwachten. Hieronder leggen we uit wat voor vragen je kunt verwachten.

Je moet onder andere kunnen aangeven waarom bepaalde gebeurtenissen zijn gebeurd. En wat de gevolgen hiervan zijn geweest op politiek, economisch en cultureel gebied. Daarnaast moet je bronnen kunnen interpreteren en de betrouwbaarheid ervan kunnen vaststellen.

Andere vragen gaan rechtstreeks over de begrippen. Leer de begrippen daarom goed. Laat je eventueel overhoren door een klasgenoot. Daarnaast komt het ook voor dat je begrippen in een context moet plaatsen. Probeer goed te letten op de relatie van de begrippen in combinatie met een groter onderwerp.

Hoe kunnen wij jou helpen bij het eindexamen?

Wij geloven dat iedereen kan slagen voor het eindexamen. Om jou te helpen goed voorbereid het examen in te gaan, hebben wij de volgende drie hulpmiddelen voor jou:

De examenperiode is de meest stressvolle tijd van de middelbare school. Maar als jij onze samenvatting goed doorneemt, veel oefenvragen maakt en onze examentips leest, dan ga jij straks slagen voor het eindexamen!

1 Item

per pagina
Aflopend sorteren
  1. Samenvatting Geschiedenis (HAVO) €12

    Van € 9,00

    Naar € 15,00

1 Item

per pagina
Aflopend sorteren