Gratis verzending vanaf 30 euro
Binnen 2 werkdagen in huis
Digitaal te lezen in de app
40.000+ leerlingen gingen je voor

Geldillusie

Het kan soms voorkomen dat je een salarisverhoging krijgt, maar toch minder kunt kopen dan voor je salarisverhoging. Je denkt in eerste instantie dat je met meer geld meer kunt kopen, maar dat hoeft niet altijd het geval te zijn. Er is dan sprake van geldillusie. Hoe geldillusie precies werkt en hoe je het berekent, bespreken we in dit artikel.

Geldillusie

Wat is geldillusie?

Wat is geldillusie?

Geldillusie is de neiging om naar de nominale waarde van geld te kijken en niet naar de reële waarde. Dit is een illusie, omdat een hoger aantal geldeenheden niet per se betekent dat je er ook meer mee kunt kopen. Deze 'vreemde' situatie doet zich voor als de prijzen sneller zijn gestegen dan de waarde van het geld. Als er sprake is van geldillusie stijgt de nominale waarde van het geld, maar daalt de reële waarde. Oftewel, dan daalt de koopkracht.

Bekijk eens het volgende filmpje:

 

In dit filmpje zie je dat een salarisverhoging er niet per se toe leidt dat je meer te besteden hebt. Dit hangt er vanaf wat er met de prijzen gebeurt: als die sneller stijgen dan je salaris, kun je minder kopen. In dit geval daalt de koopkracht: je kunt minder kopen van je geld. Bij geldillusie lijkt het dus alsof je meer te besteden hebt doordat je meer geld hebt, maar kun je eigenlijk minder kopen doordat de prijzen zijn gestegen.

Hoe weet je of er sprake is van geldillusie?

Hoe weet je of er sprake is van geldillusie?

Om vast te kunnen stellen of er sprake is van geldillusie, kijk je eerst naar de inflatie. Dit kun je afleiden uit de mate waarin prijzen in een bepaald land veranderen. De inflatie is namelijk een gewogen gemiddelde van de prijsstijgingen in een land. Bij een inflatie van 2% stijgen de prijzen in een land bijvoorbeeld gemiddeld met 2%. Bij een deflatie van 2% dalen de prijzen juist gemiddeld met 2%. Als je de inflatie weet, kun je kijken of dit hoger of lager is dan de stijging van de nominale waarde. De procentuele verandering in zowel nominale waarde als reële waarde, kun je berekenen met de volgende formule:

Procentuele verandering formule nieuw minus oud gedeeld door oud

Voorbeeld

Stel je voor dat je de netto lonen in Nederland in een jaar met gemiddeld 2% stijgen. De nominale waarde van de lonen stijgt dan met 2%. Je krijgt 2% meer euro’s op je rekening.

Echter, de inflatie van dat jaar bedraagt 3%. Dit betekent dat het gewogen gemiddelde van alle prijzen in een jaar met 3% stijgt. Producten worden dus gemiddeld 3% duurder. Bij een inflatie van 3% stijgen de prijzen sneller dan de waarde van je salaris: die stijgt maar met 2%. In dit geval daalt de reële waarde van je geld: je kunt nu minder kopen met het geld dat je salaris waard is. In dit geval spreek je van geldillusie. Doordat je 2% meer loon krijgt lijkt het alsof je meer te besteden hebt, maar eigenlijk kun je minder kopen omdat de prijzen met 3% stijgen.

Inflatie in individuele gevallen

Individuele inflatie gevallen

Naast de algemene inflatie is ook de individuele situatie van mensen van belang. De inflatie is een gewogen gemiddelde van de prijsstijging. Sommige producten stijgen hierbij sneller in prijs dan andere. Omdat iedereen verschillende producten koopt en verschillende kosten maakt, is de stijging van de kosten voor iedereen anders. Als je volgend jaar € 100 extra contributie aan je volleybalvereniging moet betalen, heb je € 100 extra kosten. Iemand die geen lid is van deze volleybalvereniging heeft hier natuurlijk geen last van.  Als je wilt weten of er bij een bepaald persoon sprake is van geldillusie, moet je dus weten hoeveel de individuele nominale waarde en de individuele prijsstijging is.

Voorbeeld 1

Stel je voor dat je als student een bijbaantje hebt en daarmee € 400 euro per maand verdient. Van dit salaris betaal je de huur van je kamer, die € 300 is. Stel je nu voor dat je salaris stijgt met € 50. De nominale waarde van je salaris stijgt dan van € 400 naar € 450: je krijgt € 50 extra op je rekening.

Maar tegelijkertijd neemt de huurprijs van je kamer misschien wel toe van € 300 naar € 400. De reële waarde van je inkomen daalt dan. Eerst hield je in een maand na het betalen van je huur € 400 - € 300 = € 100 over. Nu is dat nog maar € 450 - € 400 = € 50. Je houdt in dit geval minder geld over in de maand. De reële waarde van je inkomen daalt: je kunt minder van je geld kopen. In zo’n geval, waarbij de nominale waarde van je geld stijgt maar de reële waarde daalt, spreek je van geldillusie.

Voorbeeld 2

Stel je voor dat de waarde van je huis in een jaar stijgt van € 225.000 naar € 240.000. In dezelfde periode is de inflatie 3%. Is er dan sprake van geldillusie?

De nominale waarde van je huis stijgt van € 225.000 naar € 240.000. De verandering in procenten is dan als volgt:

Procentuele verandering nominale waarde huisprijs

De nominale waarde stijgt hier met 6,66%, terwijl de inflatie 3% is. In dit geval is er geen sprake van geldillusie: je kunt meer kopen met € 240.000 dan met € 225.000

Voorbeeld 3

Een vakbond onderhandelt met de overheid over een stijging van de salarissen van leerkrachten in het basisonderwijs. Ze komen overeen dat een bepaalde groep leerkrachten in het basisonderwijs in plaats van € 2.580 per maand volgend jaar € 2.620 per maand gaan verdienen. In deze periode is er 1,9% inflatie. De stijging van de nominale waarde van het loon is dan als volgt:

Procentuele verandering formule leerkrachten vakbond voorbeeld

In dit geval hebben deze leerkrachten gemiddeld niets aan de loonstijging. Omdat de inflatie hoger is dan de loonstijging, daalt de koopkracht van het loon. Er is dus sprake van geldillusie.

Hoe bereken je de koopkracht met indexcijfers?

Hoe bereken je koopkracht met indexcijfers?

Een gemakkelijke manier om uit te vinden of er sprake is van geldillusie is door te rekenen met indexcijfers. Met behulp van indexcijfers kun je eenvoudig zien of een nominale of reële waarde is gestegen of gedaald ten opzichte van het basisjaar. Een formule die hierbij van pas komt is de volgende:

Formule reeel indexcijfer

Deze formule wordt vaak als volgt afgekort:

Formule reeel indexcijfer afgekort

Het nominaal indexcijfer staat voor de verandering van de nominale waarde. Bij een nominaal indexcijfer van 102 stijgt de nominale waarde met 2% en bij een indexcijfer van 98 daalt de nominale waarde met 2%. Het prijsindexcijfer staat voor de inflatie. Bij een prijsindexcijfer van 101,3 is er 1,3% inflatie. Bij een prijsindexcijfer van 99,2 is er 0,8% deflatie.

Met het nominaal indexcijfer en het prijsindexcijfer kun je het reëel indexcijfer berekenen. Dit staat voor de koopkracht. Bij een reëel indexcijfer van 101 stijgt de koopkracht met 1%. Bij een reëel indexcijfer van 97,5 daalt de koopkracht met 2,5%.

Aan de hand van deze indexcijfers kun je vaststellen of er sprake is van geldillusie. Bij geldillusie stijgt de nominale waarde van het geld, maar stijgen de prijzen sneller. In de bovenstaande formule kun je dit afleiden uit het nominaal indexcijfer en het prijsindexcijfer. Als het nominaal indexcijfer hoger is dan 100 en het prijsindexcijfer nog hoger is, is er sprake van geldillusie.

Bekijken als Rooster Lijst

4 Items

per pagina
Aflopend sorteren
Bekijken als Rooster Lijst

4 Items

per pagina
Aflopend sorteren

Ontvang exclusieve tips in het examenjaar

Graag helpen we jou in het examenjaar richting je diploma!
Zit jij in je examenjaar en wil jij slagen? Schrijf je dan in voor:

Exclusieve tips
De geheimen van het eindexamen
Een template voor jouw leerplanning
Dat extra zetje in de rug

Ik ben