Maatschappijwetenschappen eindexamen HAVO 2018

Samenvatting
Examentips
Oude examens

Snap jij de inrichting van de maatschappij? Weet jij bijvoorbeeld hoe politieke besluitvorming tot stand komt? Of wat voor rol massamedia in de maatschappij heeft? Op deze pagina kun je alles lezen over het eindexamen Maatschappijwetenschappen HAVO.

De examenstof

Het eindexamen Maatschappijwetenschappen HAVO 2018 bestaat uit een aantal onderdelen, namelijk:

1. Politiek besluitvorming

Dit onderdeel bestaat uit drie onderwerpen. Het eerste onderwerp gaat in op politieke structuren. Het tweede gaat in op actoren in het proces van politieke besluitvorming. Ten slotte komen politieke cultuur en politieke stromingen aan de orde.

A. politieke structuren

Bij dit onderwerp moet je weten hoe ons politieke stelsel eruitziet. Bijvoorbeeld dat wij een constitutionele monarchie kennen. Hierin is de koning het staatshoofd, maar zijn de ministers politiek verantwoordelijk. Verder is Nederland een democratie met een kiesstelsel. Zorg dat je snapt hoe de regering, Eerste en Tweede Kamer zijn opgebouwd en hoe deze worden gekozen.

Het is belangrijk om begrippen als staat, overheid en politiek goed te kennen. Leer ook goed welke rol de overheid heeft. Dat het bijvoorbeeld zorgt voor collectieve goederen. Of dat de overheid zich inzet om maatschappelijke problemen aan te pakken. De macht van politieke besluitvorming wordt op verschillende niveaus geregeld. Zorg dat je de rol van de Europese Unie, Rijksoverheid, provincie en gemeente begrijpt.

De overheid probeert met wetgeving de rechten en plichten van burgers te verankeren in de maatschappij. Je moet hierbij weten hoe wetgeving tot stand komt. Maar ook welke belangrijke grondrechten we in Nederland kennen. Zorg dat je het verschil weet tussen klassieke grondrechten en sociale grondrechten. Voorbeelden van klassieke grondrechten zijn (1) kiesrecht, (2) vrijheid van godsdienst en (3) vrijheid van onderwijs. Voorbeelden van sociale grondrechten zijn recht op (1) onderwijs, (2) gezondheidszorg en (3) bestaanszekerheid.

B. Actoren in het proces van politieke besluitvorming

Ons land kent een politiek systeem waar opvattingen en wensen van individuen/groepen worden omgezet in bindende beslissingen. Dit kun je vanuit een systeemmodel benaderen. Zorg dat je goed weet wat er in de stappen (1) invoer, (2) conversie, (3) uitvoer en (4) terugkoppeling gebeurt.

Het is belangrijk verschillende spelers in het politiek systeem te kennen. Denk onder andere aan burgers, belangengroepen, politieke partijen, media en planbureaus. Ook moet je de verschillende functies van politieke partijen kennen. Denk bijvoorbeeld aan rekrutering, participatiefunctie, en communicatiefunctie. Daarnaast is het belangrijk om te weten wat de rechten en plichten zijn van de Eerste en Tweede Kamer.

De Nederlandse politieke besluitvorming vindt plaats op basis van coalities. Zorg dat je snapt dat er verschillende partijen worden gekozen, (meestal) zonder absolute meerderheid. Hierdoor moet er worden samengewerkt tussen partijen. De coalitie van partijen die regeren sluiten samen een regeerakkoord. Dit komt de democratie ten goede. Zorg echter ook dat je de knelpunten van ons stelsel kent.

Er zijn twee vormen van politieke participatie die je moet kennen op het examen. Dit zijn electorale participatie en niet-electorale participatie. Zorg dat je begrijpt wat onder beide vormen wordt verstaan. Belangrijke begrippen in dit kader zijn pressiegroepen en lobbyen. Je moet weten hoe beiden de politiek proberen te beïnvloeden. Ook is belangrijk te snappen waarom burgers wel of niet willen participeren in de politiek. Denk onder andere aan onwetendheid, cynisme of gebrek aan interesse.

Het is goed om te weten dat nationale politiek binnen Europa zijn grenzen kent. Daarom moet je ook het politieke systeem van de Europese Unie kennen. Belangrijk is te weten dat de Europese Commissie wetsvoorstellen indient en het dagelijkse bestuur op zich neemt. Het Europees Parlement debatteert over de ingediende wetsvoorstellen en kan wijzigingen voorstellen. Vervolgens neemt deze samen met de Europese Raad van ministers (van alle EU-lidstaten) een beslissing over de voorstellen.

3. Politieke cultuur en politieke stromingen

Politieke partijen zijn gebaseerd op verschillende ideologieën. Je moet de belangrijkste ideologieën kennen. Dit zijn onder andere het confessionalisme, liberalisme, socialisme, ecologisme, feminisme en fascisme. De eerste drie ideologieën hierboven zijn in Nederland het meest aanwezig. Er zijn echter ook partijen die zich niet ideologisch vastleggen, maar bijvoorbeeld pragmatisch of populistisch zijn. Zorg dat je weet wat de kenmerken van het populisme zijn.

In het nieuws wordt vaak gesproken over conservatief versus progressief of links versus rechts. Met deze begrippen wordt het politiek spectrum bedoeld waarin partijen kunnen worden geplot. Zorg dat je deze begrippen goed kent. Andere belangrijke tegenstellingen die je moet kennen zijn confessioneel versus non-confessioneel, ideologisch versus pragmatisch en nationalistisch versus internationalistisch.

2. Massamedia

Dit onderdeel bespreekt wat communicatie is en wanneer er sprake is van massacommunicatie. In principe kun je ervan uitgaan dat er sprake is van massacommunicatie als het gericht is op een groot publiek, dat (relatief) onbekend is voor de zender. In de meeste gevallen is massacommunicatie eenrichtingsverkeer. Al brengt het internet daar wel verandering in.

Je moet voor het eindexamen weten welke voornaamste soorten massacommunicatie we kennen. Dit zijn gedrukte pers, audiovisuele media en digitale media. Van elke soort moet je voorbeelden kunnen benoemen. Ook moet je weten hoe het Nederlandse duale omroepstelsel eruitziet en wat het verschil is tussen de publieke en commerciële omroep. Massamedia kunnen verschillende functies hebben. Bijvoorbeeld, amuserend, opiniërend, of educatief (let op, er zijn er meer). Zorg dat je deze kent en dat je kunt bepalen in hoeverre bronnen aan journalistieke normen voldoen.

Europa kent het recht op informatie, wat betekent dat er geen censuur is op het openbaar maken van gedachten of gevoelens. Hierdoor kan de media onafhankelijk het functioneren van de politiek becommentariëren. Daarnaast mogen we onze gedachten en gevoelens vrij uiten via het recht op vrijheid van meningsuiting. Zorg dat je snapt waarom dit belangrijk is in een vrij en democratisch land.

Het Nederlandse publieke omroepstel kent pluriformiteit, waarmee wordt bedoeld dat er verschillende omroepen zijn, die ruimte bieden aan verschillende opinies. De overheid stimuleert dit door middel van de mediawet. Zorg dat je snapt hoe het publieke omroepstelsel en de mediawet werken. Het totale media aanbod zou je tegelijk ook als een vorm van (externe) pluriformiteit kunnen zien. Door technologische ontwikkelingen ontstaan er tegelijk steeds meer (internationale) bronnen van informatie waarbij niet altijd duidelijk is wie de zender is van de informatie.

Zorg dat je ook de grenzen kent van de informatievoorziening via massamedia. Een onderdeel hiervan is commercie. Kranten, tijdschriften, radio, televisie en internetmedia houden rekening met de vraag en interesse van het publiek. Hoe meer bereik, hoe meer adverteerders willen betalen en hoe hoger de advertentie-inkomsten. Dit leidt tot het risico dat de informatievoorziening wordt bijgesteld om in de behoefte van het publiek te voorzien. Daarnaast moet je weten hoe cultuur, stereotypering en normen & waarden invloed hebben op massamedia.

3. Criminaliteit en rechtsstaat

Criminaliteit en rechtsstaat bespreekt de invloed van criminaliteit op de samenleving. Je moet weten wat rechtsregels en normen zijn. En hoe deze samen met jurisprudentie bepalen wat in Nederland wel en niet is toegestaan. Criminaliteit is het geheel van gedragingen dat wettelijk strafbaar is gesteld. Je moet hierbij onder andere weten welke factoren tot een hogere kans op criminaliteit leiden. En wat de meest voorkomende vormen van criminaliteit zijn. Daarnaast moet je ook de gevolgen van criminaliteit kunnen benoemen.

Criminaliteit leidt tot sociale en politieke problemen/vraagstukken. Je moet onder andere de veiligheidsparadox en de veiligheidsutopie kunnen uitleggen. Er worden veel onderzoeken gehouden om criminaliteit in kaart te brengen. Je moet hierbij de meest voorkomende onderzoekvormen en de beperkingen daarvan kennen. Het is belangrijk te begrijpen hoe de beeldvorming rondom criminaliteit in elkaar steekt. Belangrijk is ook de rol van de massamedia hierin te onderkennen.

Naast het begrip criminaliteit is het ook belangrijk te weten wat de rechtsstaat is. Je moet hierbij weten hoe de rechtsstaat is vastgelegd in de grondwet en internationale verdragen. Daarnaast moet je de machtenscheiding tussen de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht kunnen uitleggen. Verschillende staatsorganen houden zich bezig met strafrecht en handhaving. Denk aan de wetgever, politie, OM en rechters. Je moet van elk de rollen en spanningsvelden kennen.

Je moet voor het eindexamen maatschappijwetenschappen ook één en ander weten over het strafrecht en strafprocesrecht. Hierbij komt ook terug hoe het strafrecht is ingericht. Denk aan de rechtbank, het gerechtshof en de Hoge Raad. Ook moet je de rechten van een verdachte kennen en de positie van slachtoffers. Ook moet je het overheidsbeleid snappen ten aanzien van criminaliteit. Bijvoorbeeld het opsporingsbeleid, vervolgingsbeleid en gevangenisbeleid. Je moet ook het verschil snappen tussen repressief en preventief beleid en de standpunten van politieke partijen hierin.

Er zijn verschillende functies van straffen. Je moet deze kunnen benoemen, alsook het doel van de verschillende straffen. Daarnaast moet je de oorzaken van criminaliteit en crimineel gedrag kunnen verklaren aan de hand van verschillende theorieën.

Het Maatschappijwetenschappen eindexamen HAVO

Maatschappijwetenschappen bestudeert de inrichting van de maatschappij. Op het Maatschappijwetenschappen eindexamen HAVO 2018 komen drie hoofdonderwerpen terug. Het eindexamen bestaat enkel uit open vragen over deze onderwerpen. Hieronder leggen we uit wat voor vragen je kunt verwachten.

Bij het merendeel van de vragen wordt een casus geschetst. Meestal over maatschappelijke problemen die vanuit meerdere kanten kunnen worden belicht. Er wordt van je verwacht dat je één van de kanten van het probleem belicht. Het kan ook zijn dat je verschillen tussen bepaalde stellingen moet kunnen aanduiden. Soms dien je je antwoord te onderbouwen met verschillende argumenten.

Andere vragen gaan rechtstreeks over de begrippen. Leer de begrippen daarom goed. Laat je eventueel overhoren door een klasgenoot. Daarnaast komt het ook voor dat je begrippen in een context moet plaatsen. Probeer goed te letten op de relatie van de begrippen in combinatie met een groter onderwerp.

Hoe kunnen wij jou helpen bij het eindexamen?

Wij geloven dat iedereen kan slagen voor het eindexamen. Om jou te helpen goed voorbereid het examen in te gaan, hebben wij de volgende drie hulpmiddelen voor jou:

De examenperiode is de meest stressvolle tijd van de middelbare school. Maar als jij onze samenvatting goed doorneemt, veel oefenvragen maakt en onze examentips leest, dan ga jij straks slagen voor het eindexamen!

1 Item

per pagina
Aflopend sorteren
  1. Samenvatting Maatschappij-wetenschappen (HAVO) €12

    Van € 9,00

    Naar € 15,00

1 Item

per pagina
Aflopend sorteren